Pallandt, Charlotte Dorothée van (1898-1997)

 
English | Nederlands

PALLANDT, Charlotte Dorothée barones van (geb. Arnhem 24-9-1898 – gest. Noordwijk 30-7-1997), beeldhouwster. Dochter van Jan Anne baron van Pallandt, heer van Walfort (1866-1936), en Sarah Agnes Sophie barones van Pallandt (1868-1955). Charlotte van Pallandt trouwde op 18-9-1919 in Den Haag met Joachim Adolph Zeyger graaf van Regteren Limpurg (1893-1943). Dit huwelijk, dat in 1924 werd ontbonden, bleef kinderloos.

Charlotte van Pallandt groeide op in Schaarsbergen, waar zij samen met haar ouders, zusjes en broertje het landgoed Vrijland bewoonde. Het was een beschermd, maar daardoor ook weinig opwindend bestaan. Elke dag kwam een schoolmeester uit het dorp naar het landgoed om de kinderen te onderwijzen. In 1910 stierf het oudste meisje, Jacqueline, aan buikvliesontsteking. Toen in 1913 het gezin naar Den Haag verhuisde, werd Charlotte naar een kostschool in Engeland gestuurd. Ze voelde zich er verre van thuis, maar met tekenen bestreed ze de eenzaamheid. Terug in Den Haag besloot ze haar artistieke talenten verder te ontwikkelen. Haar eerste tekenlessen kreeg Charlotte van Pallandt in 1918 van de Haagse schilder Albert Roelofs.

Keuze voor het beeldhouwen

Ook tijdens haar kortstondige huwelijk met Adolph van Regteren Limpurg, met wie ze van 1919 tot 1923 in het Zwitserse Bern woonde, bleef Van Pallandt tekenen en schilderen. Na haar scheiding volgde ze enige tijd lessen bij een schilder in Lausanne. In 1926 vertrok ze met een vriend naar Parijs, dat haar tweede thuis zou worden. Hier kon ze zich in anonimiteit, ongehinderd door haar afkomst, wijden aan de kunst. Want dat had Charlotte zich stellig voorgenomen: ze zou kunstenaar worden! De geborgenheid van vroeger miste ze allerminst. ’Gezelligheid en comfort’, zo vond ze, ’zijn grote vijanden van creativiteit’. Van doorslaggevende betekenis in haar ontwikkeling was de kubistische schilder André Lhote. Met name zijn compositielessen openden haar de ogen.

Toch besloot Charlotte van Pallandt na een jaar met de lessen te stoppen, omdat zij bang was te veel onder de invloed van Lhote te komen. Een Russische beeldhouwer zette haar vervolgens op het spoor van de beeldhouwkunst. Tijdelijk terug in Den Haag werkte ze in het atelier van de Belgische beeldhouwer Toon Dupuis. Toen zij Lhote na een paar maanden enkele foto’s stuurde van haar sculpturen, reageerde deze aangenaam verrast. Hij raadde haar aan naar de vormentaal van de natuur te blijven kijken, want, zo meende hij, ‘se conformer à ces formes, c’est s’enrichir’. Een reis door Midden-Italië in 1928 en ontmoetingen met de beeldhouwers Albert Termote, Charles Despiau en Charles Malfray stimuleerden haar evenzeer om met beeldhouwen door te gaan.

Onder leiding van Malfray volgde Van Pallandt in 1935 beeldhouwlessen aan de Académie Ranson in Parijs. Hoewel hij geen groot kunstenaar was, zou Van Pallandt later verklaren dat zij als beeldhouwer alles aan Malfray te danken had. Hij bracht haar de ordening bij van verschillende volumes en richtingen in een beperkt aantal vlakken. Anders dan Lhote liet Malfray zijn leerlingen vrij om hun eigen stijlprincipes te ontwikkelen. In 1937 exposeerde Van Pallandt een portret van haar neefje Serge in het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Parijs, waarmee ze een tweede prijs won.

Naakt en portret

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keerde Charlotte van Pallandt in 1941 noodgedwongen terug naar Nederland. Onder haar zelfgekozen naam Mussavira, wat ‘goddelijke kunst’ betekent, ging zij in datzelfde jaar bij de Soefi-beweging in Katwijk. Hoewel zij al sinds 1930 lid was van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, zou Van Pallandt pas in de oorlog, toen zij clandestien een atelier betrok in de Amsterdamse Zomerdijkstraat, kennismaken met collega’s als Piet Esser, Paul Grégoire, Cor Hund en Fred Carasso. Ze liep inmiddels tegen de vijftig, maar haar carrière begon eigenlijk nu pas. Een belangrijke inspiratiebron voor deze nieuwe start was Truus Trompert, een naaktmodel dat zij via Carasso leerde kennen. Van haar zou Van Pallandt gedurende vijftien jaar talloze tekeningen en sculpturen (‘Truusbeeldjes’) maken.

Vanaf haar solotentoonstelling bij Kunsthandel Santee Landweer in Amsterdam, in 1948, was de naam van Charlotte van Pallandt als beeldhouwer gevestigd. In de jaren 1950 vormde ze met onder anderen Jeanne Bieruma Oosting, Maaike Braat, Jeanne van Hall, Fri Heil, Ro Mogendorff en Liesbeth Dobbelmann de vrouwelijke kunstenaarsvereniging De Zeester. In 1958 was ze een van de Nederlandse vertegenwoordigers op de 29ste Biënnale van Venetië en een jaar later won ze de prestigieuze Prix de la Critique. Niet lang daarna stelde de Haarlemse beeldhouwer Mari Andriessen haar voor aan zijn stadgenoot, de schilder Kees Verwey. Tussen hen groeide een hechte vriendschap. De doorgaans nogal nukkige Verwey werd door Van Pallandt meteen ‘ontzettend aardig’ gevonden. Ze maakte van hem een portret in brons.

Met het naakt vormt het portret het hoofdthema in het oeuvre van Van Pallandt. Zonder overdrijving mag zij een van de beste Nederlandse portrettisten genoemd worden. In 1953 maakte ze twee portretten van koningin Juliana. Topstukken zijn haar portretten van Adriaan Roland Holst, Fred Carasso, Ro Mogendorff en Albert Termote. Ook haar zelfportret uit 1971 hoort daarbij. Nadat ze in 1963 tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau was benoemd, kreeg Van Pallandt in 1966 de opdracht voor een monumentaal portret, ten voeten uit, van koningin Wilhelmina. Dit werd in 1968 in Rotterdam onthuld. Hetzelfde beeld zou later tevens in Den Haag en in het Overijsselse Heino worden geplaatst. Hoezeer haar verdiensten voor het vaderland gewaardeerd werden, blijkt wel uit het feit dat zij in 1973 tot officier in de Orde van Oranje-Nassau werd bevorderd. Charlotte van Pallandt stierf op 30 juli 1997 in Noordwijk, 98 jaar oud.

Betekenis

De betekenis van Van Pallandt voor de Nederlandse kunstgeschiedenis is niet gemakkelijk te beoordelen. De kwaliteit van haar werk staat buiten kijf, maar van meet af aan heeft zij in de gesloten wereld van haar atelier steeds haar eigen plan getrokken. Ze heeft derhalve geen school gemaakt. Een van de weinige kunstenaars die nog werkt in de traditie van Van Pallandt is Eja Siepman van den Berg, die in 1978 de eerste winnaar van de Charlotte van Pallandt-prijs was. Peter Struycken, conceptueel kunstenaar en goed bevriend met Van Pallandt, omschreef haar als een kunstenares die zich voortdurend opnieuw liet inspireren door ‘de zichtbare werkelijkheid, door de traditie van het kijken en het kunstmaken zelf’ en daarmee zorgde voor een ‘permanent veranderende kijk op de wereld’

Naslagwerken

BWG; Jacobs; Scheen.

Literatuur

  • M. Visser, Charlotte van Pallandt. Beelden en tekeningen (Amsterdam/Zwolle 1981).
  • ‘Keuze uit de aanwinsten. De schenking van Charlotte van Pallandt’, Bulletin van het Rijksmuseum 31 (1983) 218-229.
  • L. Wezelaar-Dobbelman, P. Esser in gesprek met Charlotte van Pallandt (Noordwijk/Amsterdam 1987) [video].
  • L. Tegenbosch, Natura Iconophans. Bij de portretten van Charlotte van Pallandt (Heusden/Eindhoven 1988).
  • M. Hoogendonk, J. Teeuwisse en L. Tilanus, Er groeit een beeldhouwkunst in Nederland. Vrije beelden 1900-1960 (Haarlem 1994).
  • L. Tegenbosch en M. Koekkoek, Charlotte van Pallandt. Beelden en tekeningen (Zwolle 1994).
  • S. Dubois, Charlotte van Pallandt. Tentoonstellingscatalogus Museum Beelden aan Zee (Scheveningen 1995).
  • A. Grondman, G. Verschoor en P. Struycken, Charlotte van Pallandt. Gipsen en schetsen (Heino/Wijhe 2001).
  • F. Hoekstra en M. van Rooy, Charlotte van Pallandt - Kees Verwey. Van buitenplaats tot buitenplaats (Eelde en Heino/Wijhe 2007).

Illustratie

Portret, door Peter van Kampen, 1973.

 

Auteur: Feico Hoekstra

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 894

laatst gewijzigd: 13/01/2014