Willing, Jeanne Gabrielle (1895-1984)

 
English | Nederlands

WILLING, Jeanne Gabrielle, vooral bekend als Jeanne van Schaik-Willing, ook bekend als Gabrielle van Loenen (geb. Amsterdam 8-10-1895 – gest. Amsterdam 1-10-1984), toneelcritica en schrijfster. Dochter van Jacob Willing (1871-1927), tabaksmakelaar en -handelaar, en Betje Bernadina Claudina Canter (1869-1935), concertvioliste. Jeanne Willing trouwde (1) op 24-1-1917 in Utrecht met Aloysius Franciscus Josephus Joann van Son (1889-1955), natuurgeneeskundige; (2) na scheiding (16-4-1923) op 12-3-1924 in Amsterdam met Bernardus Aloysius van Schaik (1897-1981), president-directeur verzekeringsmaatschappij. Uit huwelijk (2), dat op 20-10-1945 eindigde in een scheiding, werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Jeanne Willing werd in Amsterdam geboren als oudste van een niet-religieus Joods echtpaar met een slecht huwelijk: haar vader was een zakenman die haar moeder (een concertvioliste) aanbad, maar zij had hem alleen om zijn geld getrouwd. Een kinderjuffrouw verzorgde de opvoeding. Jeanne was een fantasierijk kind: na het zien van een kinderoperette op vierjarige leeftijd verzon ze elke avond een verhaaltje. In 1901 verhuisde het gezin naar Hamburg, waar de zusjes Beatrice en Sigrid werden geboren. Jeanne zat op de Lutherse Höhere Töchterschule. De sfeer was er militaristisch en antisemitisch, maar zelf wist ze niet dat ze Joods was – dat ontdekte ze pas in haar puberteit. In 1905 liep Jeannes moeder met haar dochters weg. Na wat rondzwervingen ging ze met hen wonen aan de Frankenslag in Scheveningen – pas in 1912 volgde de officiële scheiding.

Studie en schrijverschap

Na de – openbare – lagere school ging Jeanne Willing naar het Gemeentelijk Gymnasium (het latere Haganum) in Den Haag. Haar bovenbuurman, de schilder Han Teixeira de Mattos, gaf haar tekenlessen. Het was voor de vijftienjarige Jeanne een groot verlies toen deze vaderfiguur stierf. Ook schreef ze voor het schoolblad en schoolvriend Victor van Vriesland maakte haar wegwijs in de letterkunde. Na haar eindexamen ging ze zonder animo in Leiden rechten studeren. Ze werd lid van de Vereniging Vrouwelijke Studenten Leiden (VVSL) maar bleef thuis wonen om voor haar moeder te zorgen, die als astmapatiënt verslaafd was aan morfine. De katholieke natuurgenezer Alwyn van Son kwam er over de vloer. Toen hij Jeanne een huwelijk in kuisheid beloofde, stopte ze met haar studie en vertrok met hem naar Utrecht, waar ze in 1917 trouwden. Van Son deed zijn belofte geen gestand: er was allesbehalve sprake van een ‘kuis huwelijk’ en het liep vrijwel direct op de klippen.

In het jaar van haar huwelijk debuteerde Jeanne Willing met een verhaal in Het Getij en begon ze essays over literatuur te schrijven in De Gids en Groot Nederland. Naar aanleiding daarvan werd ze gevraagd Top Naeff op te volgen als toneelcritica bij De Nieuwe Amsterdammer alias De Mosgroene. Hoewel ze niets van toneel wist, nam ze de opdracht uit geldgebrek aan. Ze publiceerde haar kritieken onder het pseudoniem Gabrielle van Loenen. In deze Utrechtse tijd werd ze verliefd op rechtenstudent Bernard van Schaik, die bij hen op kamers woonde. Om problemen te voorkomen verhuisde Bernard naar Amsterdam, maar Alwyn beschuldigde de twee van overspel. Daarop trok Jeanne in bij Bernard (Marnixstraat, korte tijd later Leidsekade). In 1920 werd daar hun zoon Jaap geboren, in 1922 gevolgd door dochter Sanderijn – ze woonden inmiddels in Blaricum. Pas toen de moeizame scheiding van Van Son in 1923 voltrokken was, konden Bernhard en Jeanne trouwen.

In 1923 beschreef Van Schaik-Willing onder pseudoniem haar ideeën over toneel in De dramatische kunst en ons toneel. Toen haar man in 1927 als jurist een baan vond in Ede, verhuisde het gezin naar de Berkenlaan (nr. 18) aldaar. Hier werd in 1927 Rob geboren. Van Schaik-Willing schreef na de geboorte van haar kinderen over met name Amerikaanse literatuur in De Gids en Het Critisch Bulletin, ze gaf lezingen en cursussen en nam tussen 1928 en 1932 de redactie van de Amerikaanse Bibliotheek van uitgeverij Leopold op zich. Het combineren van werk en moederschap viel haar zwaar. Ze zat altijd klaar met thee, maar ‘dacht dan wel aan iets anders’ (Royers 1981, 15). Toen Bernard werk kreeg bij verzekeraar Centraal Beheer, verhuisde het gezin in 1930 terug naar Amsterdam (Maasstraat 81 III).

In 1932 kwam Van Schaik-Willings romandebuut uit, Uitstel van executie, twee jaar later gevolgd door Sofie Blank. De hoofdpersonen in haar romans groeien op zonder vader en ook haar relatie met Van Son vond zijn weerslag in haar romanoeuvre. Met een verhuizing achter de rug (naar Leidsekade 100) pakte Van Schaik-Willing haar werk als toneelcritica weer op in 1939, nu voor De Groene Amsterdammer.

In en na de oorlog

Jeanne van Schaik-Willing leefde in een zelfgecreëerde werkelijkheid – pas in de oorlogsjaren raakte ze maatschappelijk geïnteresseerd. Haar ‘gemengde’ huwelijk beschermde haar tegen vervolging, samen met een bewijs van sterilisatie dat zij in 1943 van een bevriende arts kreeg. Er kwamen in die tijd veel kunstenaars over de vloer en vanaf 1943 hadden ze ook onderduikers in huis. Eind van dat jaar dook Bernard van Schaik zelf onder vanwege zijn verzetswerk, maar ook omdat hij een vriendin had. Na de bevrijding werd Van Schaik-Willing gevraagd een bedrijf te schrijven voor het toneelstuk Vrij volk dat bij de heropening van de Amsterdamse Stadsschouwburg werd opgevoerd.

Na de scheiding tussen Van Schaik en Willing – in oktober 1945 uitgesproken – bleef ze zich wel Van Schaik-Willing noemen. Haar verdriet probeerde ze te verwerken door veel mensen te ontvangen en te schrijven. Bevriend was zij onder meer met Anna Blaman, Abel Herzberg en Simon Vestdijk. Met laatstgenoemde schreef zij de brievenroman De overnachting (1947). Verder breidde zij haar oeuvre in de naoorlogse periode uit met toneelstukken, verhalenbundels, enkele reisboeken en een kinderboek. Ook schreef ze haar memoires in Ondanks alles (1955). Van Schaik-Willing was regelmatig jurylid van literaire prijzen, zoals de Marianne Philips-prijs en de Reina Prinsen-Geerlingsprijs. In 1953 trad ze weer in dienst bij De Groene Amsterdammer: tot 1967 als toneelcritica en daarna nog tot 1970 als schrijfster van korte schetsen. Haar toneelkritieken werden gebundeld in Na afloop (1957) en Uit de stalles (1966). Met Dwaaltocht (1977) publiceerde Van Schaik-Willing opnieuw herinneringen aan haar jeugd.

Vanwege ernstige bronchitis verhuisde Jeanne van Schaik-Willing in 1982 naar het Amsterdamse bejaardenhuis Emmahof. Schrijven kon ze niet meer en ze had moeite met het oud zijn. Jeanne van Schaik-Willing stierf op 1 oktober 1984, in de ouderdom van 88 jaar – ze werd op 4 oktober gecremeerd in Crematorium Westgaarde.

Betekenis

Van Schaik-Willing was een gezaghebbend critica en schrijfster. Haar eigen werk werd overwegend positief ontvangen, waarbij recensenten vooral haar scherpe psychologische inzicht roemden. Voor Na afloop ontving ze in 1959 de essayprijs van de gemeente Amsterdam. Datzelfde jaar werd zij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1980 kreeg ze de Jacobsonprijs voor oudere letterkundigen. Hierna raakte haar werk snel in de vergetelheid.

Naslagwerken

Ter Laan; Persoonlijkheden; Van Bork-Verkruijsse.

Archivalia

  • Letterkundig Museum, Den Haag: brieven van en aan Jeanne van Schaik-Willing (diverse toegangen); enkele autografen, drukproeven, toespraken en niet nader gecatalogiseerde archivalia (W 00721, diverse inventarisnummers); boekbesprekingen en radiolezingen over werk van Jeanne van Schaik-Willing (R 00543 H 1); al dan niet geplaatste kopij voor de Nieuwe Gids (69 F 37); typoscript toneelstuk De walvis (6 H 7981); gedicht voor Victor van Vriesland (V 00922 P).
  • Universiteitsbibliotheek, Leiden: brieven van Jeanne van Schaik-Willing aan De Gids.

Publicaties

Anders dan in tekst genoemde (een selectie):

  • Nachtvorst (Amsterdam 1936).
  • Uitgestelde vlucht (Amsterdam 1938) [verhalen].
  • Leerschool (Amsterdam 1947) [verhalen].
  • Het portret. Toneelspel (Amsterdam 1948).
  • In vijfhonderd woorden. Een vijftal korte verhalen (Amsterdam 1949).
  • De witte veren (Amsterdam 1949).
  • Marmer en abrikozen. Een reis naar Roussillon (Amsterdam 1949) [reisboek].
  • Odysseus weent. Lyrisch spel in drie bedrijven (Utrecht 1953).
  • Onder wiegende sterren. Logboek van een vrouw (Amsterdam 1957) [reisboek].

Literatuur

  • Max Arian, ‘Jeanne van Schaik-Willing, in 1918 en in 1975: Je kunt het toneel niet misbruiken als tijdverdrijf’, Het Toneel Teatraal 96 (1975) 3-4.
  • Theo Royers, ‘Jeanne van Schaik-Willing: “Ik heb geprobeerd de zin van de ouderdom te leren kennen maar dat is mij niet gelukt”’, Leef tijd 12 (1981) 13-16.
  • Joke Meijer, ‘Jeanne van Schaik-Willing’, Meta 17 (1983) 95-98.
  • Hans Heesen, Harry Jansen en Ed Schilders, Waar ligt Poot? Over de dood en de laatste rustplaats van Nederlandse en Vlaamse schrijvers (Baarn 1997).
  • Rob van Schaik, Een schooljongen in de schaduw van de oorlog (Den Haag 2007).
  • Rob van Schaik, Op weg naar een nieuwe wereld. Van servet naar tafellaken (Den Haag 2015).

Illustratie

Jeanne van Schaik-Willing en Nico Donkersloot, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Literatuurmuseum, Den Haag).

Auteur: Elizabeth Kooman

laatst gewijzigd: 17/10/2017