Wit, Anna Augusta Henriette de (1864-1939)

 
English | Nederlands

WIT, Anna Augusta Henriette de (geb. Sibolga, Nederlands-Indië 25-11-1864, gest. Baarn 9-2-1939), journaliste, schrijfster en vertaalster. Dochter van Jan Carel de Wit (1819-1884), resident van Timor, en Anna Maria Johanna de la Couture (1837?-1895). Augusta de Wit bleef ongehuwd.

Augusta de Wit woonde tot 1874 als dochter van een hoge ambtenaar op Sumatra en Timor en tussendoor twee jaar in Nederland. Na de definitieve terugkeer woonde de familie in Helvoirt, Utrecht en Oosterbeek en van 1888 tot 1890 studeerde De Wit in Londen en Cambridge.

Met socialistisch gevoel

Van 1894 tot 1896 gaf De Wit Duits, Engels en geschiedenis aan de meisjes-hbs in Batavia. Zij schreef Engelstalige reisreportages voor de Singapore Straits Times – in 1898 werden deze gebundeld uitgegeven onder de titel Facts and fancies about Java. Onder de schuilnaam George W. Sylvius publiceerde Augusta de Wit in de jaren 1895 en 1896 verhalen in de trant van de Tachtigers in Eigen Haard en De Gids. In 1903 volgden haar bekende novelle Orpheus in de dessa en haar roman De godin die wacht, beide met een Indisch thema. Ze werkte inmiddels als reizend correspondente voor het Utrechtsch Dagblad, de Javabode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) in binnen- en buitenland, onder meer in Berlijn, Weimar, Zürich en Parijs. In 1907 verscheen Het dure moederschap, haar enige ‘sociale’ roman (over Gooise fabrieksarbeiders). Tot eind 1913 schreef ze Indische reisreportages voor de NRC.

Vanaf 1914 was De Wit politiek actief in Nederland, al trad ze weinig in de openbaarheid. Ze had in 1904, toen ze in Berlijn woonde, op verzoek van Herman Gorter een rapport over de algemene staking van 1903 vertaald voor Karl Kautsky, die het publiceerde in zijn tijdschrift Die Neue Zeit. In april 1914 trad zij met Henriette Roland Holst in Groningen op voor het Vera-Figner-Comité (Figner was een revolutionaire ballinge uit Rusland). Voor Gorter vertaalde zij in 1915 diens brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie in het Duits. In het voorwoord klaagde Gorter over de gebrekkige kwaliteit van de vertaling, die door de oorlogssituatie zou zijn veroorzaakt. De Wit brak met Gorters SDAP en werd in 1916 lid van de Communistische Partij in Holland (CPH), de SDP en de Revolutionair-Socialistische Vereeniging. Over haar ‘bekering’ schreef ze in 1917 in het SDP-orgaan De Nieuwe Tijd in een bloemrijke stijl, die nog erg aan de Tachtigers deed denken. Aan Willem van Ravesteyn beschreef ze in 1916 haar taak in het socialisme: ‘literatuur te maken tot een voertuig van socialistische gezindheid, is het enige dat ik voor de zaak kan doen. Ik ben onwetend aangaande de socialistische leer. […] Ik kan alleen socialistisch gevoel laten zien als iets zeer schoons [...]. Het is niet veel, ik weet het. Maar het is alles wat een “gevoelssocialist” kan.’

Begin 1920 raakte De Wits CPH-lidmaatschap landelijk bekend toen ze deelnam aan de geheime Amsterdamse conferentie van het West-Europese bureau van de communistische Internationale.

De NRC, haar voornaamste opdrachtgever, wilde een schriftelijke garantie dat zij in die krant geen communistische propaganda zou maken. De Wit stemde toe, maar merkte daarbij op dat zij niet als gedelegeerde maar als tolk aan de conferentie had deelgenomen. Ze bleef voor de NRC schrijven, maar nauwelijks meer voor de partij. Haar laatste bijdrage aan De Nieuwe Tijd verscheen in 1921. In 1928 meldde ze zich bij Henriette Roland Holst als abonnee van Klassenstrijd. In 1934 bekende ze aan Julien Kuypers haar liefde voor het religieus-socialisme dat ook haar vriendin Roland Holst bezielde. Over haar eigen ontwikkeling schreef ze: ‘Toen ik Orpheus in de Dessa schreef, wist ik niets van het socialisme. Maar ik moet al “socialistisch” gevoeld hebben, in deze zin althans, dat ik de huidige inrichting van de maatschappij besefte onrechtvaardig te zijn en een oorzaak van leed’.

Waardering

In 1939 overleed Augusta de Wit op 74-jarige leeftijd in Baarn. Ze werd begraven in haar vroegere woonplaats Oosterbeek. Er waren kransen van Liesbeth Ribbius en andere vriendinnen. In de pers werd weinig of niet gesproken over haar politieke activiteiten. Elisabeth Augustin hield het op ‘warme menselijke sociale gevoelens’ en Roland Holst noemde haar iemand ‘die zich in de sociale beweging van onze tijd heeft geweerd’. Theun de Vries noemde haar in Het Volksdagblad echter voor alles een ‘schoonheidsverheerlijkster’. Haar bekendste boek Orpheus in de dessa zou tegenwoordig inderdaad kunnen gelden als een schoolvoorbeeld van ‘oriëntalisme’: het idealiseren van een pure, paradijselijke, exotische samenleving als tegenstelling tot de kille en zakelijke westerse cultuur. De Indonesische revolutionaire schrijver en politicus Soetan Sjahrir drukte dit het scherpst uit: ‘Het Oosten van Augusta de Wit bestaat alléén voor mensen als Augusta de Wit’ (geciteerd bij Schrijvende vrouwen, 37). Toch rekent Rob Nieuwenhuis haar niet tot het ‘damescompartiment’ van de Nederlands-Indische letteren. Ondanks de opvattingen van haar partij kan ze gerekend worden tot de ‘ethische richting’ die het Nederlandse bestuur in Indië wilde verbeteren (De Wever, 278). In 2003 exposeerde het Tropenmuseum in Amsterdam haar uitgebreide verzameling Indische foto’s.

Naslagwerken

Van Bork/Verkruijsse; BWN; BWSA; Damescompartiment; Ter Laan; Schrijvende vrouwen. 

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: Collectie A.A.H. de Wit.

Publicaties

Behalve de genoemde:

  • Het gulden sprookjesboek. Dertig volkssprookjes van verschillende herkomst, naverteld (Amsterdam 1910).
  • Een Javaan (Amsterdam 1923).
  • De avonturen van den muzikant (Amsterdam 1927).
  • De wijdere wereld (Amsterdam 1930).
  • Gods goochelaartjes (Amsterdam 1932).
  • ‘Liefde en geweld langs den Barito’, in: Drie novellen (Amsterdam 1939) [Boekenweekgeschenk].
  • Een witte angora en enige mensen (Amsterdam 1961).
  • Brieven / Augusta de Wit & Rainer Maria Rilke, Willem Bierman vert. en ed. (Apeldoorn 1999).

Literatuur

  • M.H. van Campen, ‘Augusta de Wit’, Nederlandsche romancières van onzen tijd (Leiden 1921) 21-73.
  • E. Augustin, ‘Augusta de Wit’, Critisch Bulletin …(1939) 92-95.
  • J. Kuypers, ‘Het Socialisme van Augusta de Wit (1864-1939)’, Leiding … (1939) 476-478.
  • Henriëtte Roland Holst, ‘Augusta de Wit’, Tijd en Taak, 25-2-1939.
  • Theun de Vries, ‘Augusta de Wit. Schoonheidsverheerlijking in grote stijl. Een rijk talent uit de school van ‘80’, Het Volksdagblad, 17-2-1939.
  • Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische Spiegel (Amsterdam 1973) 323-329.
  • Olf Praamstra, ‘Verblind door schoonheid: het Indië van Augusta de Wit’, Indische letteren 16 (2001) 2-16.
  • Darja de Wever, ‘Meiden van De Wit. Speuren naar sporen van Augusta de Wit’, in: M. van Kempen e.a. red., Wandelaar onder de palmen. Opstellen over koloniale en postkoloniale literatuur en cultuur (Leiden 2004) 269-280.

Illustratie

Augusta de Wit, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Literatuurmuseum, Den Haag).

Auteur: Jan Gielkens

laatst gewijzigd: 21/07/2017