Verwey, Mea (1892-1978)

 
English | Nederlands

VERWEY, Mea, ook bekend onder de auteursnaam Gerda van Beveren (geb. Noordwijk aan Zee 2-3-1892 – gest. Santpoort 24-12-1978), dichteres, letterkundige en uitgeefster. Dochter van Albert Verwey (1865-1937), dichter, en Katharina van Vloten (1867-1945). Mea Verwey trouwde (1) op 28-8-1918 in Noordwijk met Constantinus Alting Mees (1894-1978), uitgever; (2) op 15-5-1947 in Bloemendaal met Dirk Hidde Nijland (1881-1955), kunstschilder en graficus. Uit huwelijk (1), dat in 1936 in een scheiding eindigde, werden 4 dochters en 1 zoon geboren.

Mea Verwey was het tweede van de zeven kinderen van Albert Verwey en Kitty van Vloten. Het gezin woonde in Noordwijk aan Zee in een villa die bekend is geworden onder de naam Villa Nova. De opvoeding van de kinderen was erop gericht hen te harden. Zo werden ze aangemoedigd buiten te spelen en veel te wandelen. Soberheid en plichtsbesef stonden hoog in het vaandel.

Mea bezocht de openbare lagere school in Noordwijk-Binnen. Daarnaast kreeg ze Franse les van haar moeder en bijbelles van haar vader. Hoewel er thuis vrijwel niets aan werd gedaan, toonde Mea al op jonge leeftijd belangstelling voor muziek. Ze kreeg zang- en pianoles en zong in een kinderkoor te Noordwijk. Na de lagere school bezocht ze vier jaar de meisjes-HBS in Leiden, gevolgd door een jaar privélessen Latijn, Grieks en wiskunde. Haar vader, met wie ze een hechte band had en wiens werk ze zeer bewonderde, las veel literatuur met haar. In 1909 werd ze toegelaten tot de vijfde klas van het gymnasium. Doordat ze in het najaar van 1910 ernstig ziek werd en geruime tijd niet naar school kon, deed ze pas in 1912 eindexamen.

Vervolgens studeerde Mea Verwey Nederlandse letteren in Leiden. In 1918 haalde ze haar doctoraal. In hetzelfde jaar trouwde ze met Conno Mees, student Indische letteren. Het echtpaar woonde enige jaren in Voorschoten, daarna in Santpoort. Ze kregen vier dochters en een zoon. Twee dochters stierven voor hun tiende jaar.

In 1928 promoveerde Mea Verwey in Leiden op een proefschrift over haar grootvader, getiteld De betekenis van Johannes van Vloten. Haar vader, toentertijd hoogleraar in de Nederlandse letterkunde, was haar promotor.

Letterkundige

Mea Verwey begon haar literaire carrière tijdens haar ziekte in de jaren 1910-1911. Voor haar moeders verjaardag schreef ze toen het kinderverhaal De geschiedenis van een kraai, dat pas in 1923 in druk verscheen, met een door haar vader aangepast slot en illustraties van Leon Senf. Ook als dichteres voor volwassenen begon Verwey zich te manifesteren. In het door haar vader opgerichte tijdschrift De Beweging (1905-1919) publiceerde ze vanaf 1915 onder het pseudoniem Gerda van Beveren haar eerste gedichten. Haar schuilnaam leende ze van haar huishoudelijke hulp. Vanaf 1917 werkte ze onder haar eigen naam mee aan de rubriek ‘Boekbeoordeelingen’.

In 1921 verscheen Mea Verwey’s eerste dichtbundel, Golfslag. In een bespreking constateerde J.C. Bloem verwantschap met het werk van haar vader: ‘een mannelijke ernst, een soms eigenzinnige stroefheid, die liever schoonheid opoffert dan de gedachte – bovenal, dat de gedichten meer uitingen over dan van het leven zijn’ (De Gids, 1923). Ook Victor van Vriesland herkende de invloed van haar vader.

In diverse gedichten uitte Mea Verwey haar liefde voor muziek, en in Levensgeleide (1947) legde zij in dichtvorm haar muzikale herinneringen en ervaringen vast. De nauwe band tussen haar poëzie en muziek blijkt ook uit het feit dat enkele gedichten tegelijk ontstonden met de melodie. Volgens B.M. Wolvekamp-Baxter schreef Hugo Kauder voor een tiental van dergelijke liedjes de pianobegeleiding.

Mea Verwey maakte ook enkele vertalingen en schreef kritische artikelen over tal van letterkundige onderwerpen. Tevens correspondeerde ze veel, met onder anderen collega-schrijvers als Aart van der Leeuw, M. Vasalis, Ida Gerhardt, Jan Greshoff en Kitty Josselin de Jong. Veel van die brieven vallen op door hun humor en scherpzinnigheid.

Uitgeefster

In 1919 richtten Mea en Conno Mees uitgeverij C.A. Mees op, eerst als hobby, maar al gauw meer professioneel. Het fonds, samengesteld naar hun persoonlijke voorkeuren, bevatte veel letterkundige uitgaven, waaronder werk van Albert Verwey, Aart van der Leeuw en Nine van der Schaaf. Voor het aantrekken van nieuwe auteurs maakte Mea Verwey gebruik van haar, deels via haar vader opgebouwde, netwerk. Daarbij gebruikte ze ook de Haarlemse afdeling van de soroptimisten, waar ze sinds de oprichting in 1931 lid van was.

De eerste titel op de fondslijst was Poëzie (1919) van Nine van der Schaaf. Vanaf 1926 volgden uitgaven in de ‘Oosterse Bibliotheek’, een reeks met tekstedities en proefschriften over ‘oosterse’ onderwerpen. Uitgeverij C.A. Mees gaf ook tijdschriften uit, waaronder De Natuur, Tijdschrift voor Ervaringsopvoedkunde, Wendingen (vanaf de zesde jaargang), De Bibliotheekgids en, vanaf 1931, De Dietsche Gedachte (1926-1941). De niet erg politiekbewuste Mea Verwey besefte aanvankelijk niet dat laatstgenoemd blad onder invloed van de NSB stond. Toen ze dit in 1936 ontdekte, concludeerde ze dat het blad niet in het fonds paste en gooide het ze eruit.

In de loop der jaren nam Mea Verwey steeds meer de leiding van de uitgeverij op zich. Haar man miste zakelijk inzicht, wat regelmatig tot wrijvingen leidde. In 1932 trok hij zich terug uit de uitgeverij en in 1936 werd het huwelijk ontbonden. Elf jaar later trouwde Mea Verwey met de kunstenaar Hidde Nijland.

Na het vertrek van Conno Mees liet Verwey het bedrijf omzetten in een naamloze vennootschap (N.V. Uitgeverij v.h. C.A. Mees); in J.B. Greeve vond ze een nieuwe compagnon. In de oorlog kwamen de uitgeefactiviteiten op een laag pitje te staan. Meer en meer werd het bedrijf een bureau dat auteursrechten beheerde van eerder uitgegeven werk. Na 1947 verschenen er voornamelijk nog publicaties van en over vader Albert. Het beheer van zijn literaire nalatenschap lag Mea Verwey na aan het hart. Zo schreef ze artikelen over zijn werk voor tijdschriften als het Amsterdams Tijdschrift voor Letterkunde en De Nieuwe Taalgids. Ook verzorgde ze geannoteerde uitgaven van zijn briefwisselingen. Nadat uitgeverij Mees in 1968 was samengegaan met de Amsterdamse uitgeverij De Tor en er daarmee een einde was gekomen aan haar uitgeverschap zette ze zich nog meer in om de studie van het werk van Albert Verwey te stimuleren. Ook schreef ze haar jeugdherinneringen, wat resulteerde in 1 uit 7 (1968).

De laatste jaren van haar leven had Verwey veel last van artrose, waardoor ze steeds minder mobiel werd. Later werd ook kanker geconstateerd. Desondanks bleef ze werken aan Dichtspel, een verzamelbundel van haar vaders poëzie. Op 24 december 1978, drie weken na de correctie van de drukproeven, overleed Mea Verwey in Santpoort. Haar naam leeft vooral voort als beheerster van de letterkundige nalatenschap van haar vader en als een van de weinige vooroorlogse vrouwelijke uitgevers in Nederland.

Naslagwerken

Ter Laan.

Archivalia

  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: persoonskaart Mea Verwey.
  • Universiteitsbibliotheek Amsterdam, Bijzondere Collecties: collectie Mea Nijland- Verwey (sign. XLI en XLII).
  • Letterkundig Museum, Den Haag: collectie Mea Verwey (sign. V 00537). Collectie Boudewijn Büch (sign. 1 BBU).
  • Universiteitsbibliotheek Leiden, Bijzondere Collecties: sign. LTK 2124, sign. LTK 1888: X 1957 108, sign. LTK 1888: X 1949 298, sign. LTK 1888: X 1929 12 27, LTK 1888: E 483.

Publicaties

Onder de naam Gerda van Beveren publiceerde Mea Verwey gedichten in De Beweging (1915-1919) en de dichtbundel Stem van het hart (Santpoort 1934).

Tussen 1921 en 1946 publiceerde ze onder de naam Mees-Verwey letterkundige artikelen in De Nieuwe Taalgids (jrg. 1918, 1935, 1943) en Ad Interim (1946), twee nonfictie-vertalingen uit het Duits (Paul Häberlin, Minderwaardigheidsgevoelens, 1937; Walther von Hollander, Man en vrouw boven de veertig, 1938) en twee vertalingen uit het Engels (Robert Nathan, De betoverde reis, 1937; idem, Winter in april, 1938). En voorts: Gedenkboek van het Sodalicium Literis Sacrum. Vijftig jaar letterkundig studentenleven te Leiden 1872-1922 (Santpoort 1922) [lemmata over Johannes van Vloten en ds. Willem van Vloten], NNBW 8 (1930).

  • De verdolven landen. Gedichten (Amsterdam z.j. [1945]).
  • De melodie (Amsterdam 1946) [gedichten].
  • Vanaf 1947 publiceerde ze onder de naam Nijland-Verwey letterkundige artikelen (o.a. over haar vader en zijn werk) in onder meer De Nieuwe Taalgids (1958, 1965-1967, 1970, 1976), De Gids (1950, 1960, 1961), Amsterdams Tijdschrift voor Letterkunde (1954), Duitse Kroniek (1962, 1963, 1966, 1970, 1979) en Hermeneus (1965-1967). Voor het Jaarboek Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde schreef Verwey levensberichten van G. Kalff jr. (1956), Christina Ligtenberg Bolsward (1967) en Nine van der Schaaf (1973). Tevens verzorgde ze diverse edities van haar vaders werk. En voorts:
  • ‘Nico van Suchtelen als dichter’, in: Victor E. van Vriesland red., Het werk en de mens Nico van Suchtelen: een reeks beschouwingen (Amsterdam 1948).
  • [met D. Nijland], Terschelling (Santpoort 1951).
  • Albert Verwey en Stefan George. De documenten van hun vriendschap (Amsterdam 1965).
  • Wolfskehl und Verwey: die Dokumente ihrer Freundschaft, 1897-1946 (Heidelberg 1968).

Literatuur

  • J.C.B[loem], ‘Mea Mees-Verwey. Golfslag. (Santpoort. C.A. Mees, 1921)’, De Gids 87 (1923) 170-171.

  • Victor E. van Vriesland, ‘De stem der dochter’, in: Idem, Onderzoek en vertoog, deel 2 (Amsterdam 1958) 118-121.
  • Gerard Werker, ‘“De melodie” van Mea Verwey’, Mens & Melodie 20 (1965) nr. 12, 377-378.
  • C. Kruyskamp en C.A. Zaalberg, ‘Boekbeoordelingen’, Tijdschrift voor Taal- en Letterkunde 86 (1970) 240-244.
  • R. Richard, ‘Mea Verwey ter nagedachtenis’, in: Albert Verwey, Dichtspel: oorspronkelijke en vertaalde gedichten, Mea Nijland-Verwey ed. (Amsterdam 1983) 5-6.
  • B.M. Wolvekamp-Baxter, ‘Mea Nijland-Verwey: Noordwijk aan Zee 2 maart 1892 – Santpoort 24 december 1978’, Jaarboek Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1983-1984 (Leiden 1985) 129-134.
  • P.J. Buijnsters, ‘De geschiedenis van een Kraaienboek’, De Boekenwereld 19 (2002) nr. 1, 42-45.
  • Lisa Kuitert, ‘Mea Verwey en Uitgeverij C.A. Mees (1919-1968). Een bolwerk van beschaving’, Jaarboek Nederlandse Boekgeschiedenis 12 (2005) 131-144.
  • Lisa Kuitert, ‘Mea Verwey en haar stokpaardjes. Een Santpoortse uitgeefster als wereldverbeteraar’, De Zandpoort. Orgaan van de Stichting Santpoort 1(2006) 27-39.
  • Cornelie van Uuden en Pieter Stokvis, De gezusters van Vloten. De vrouwen achter Frederik van Eeden, Willem Witsen en Albert Verwey (Amsterdam 2007).

Illustratie

Met kind op balkon, door onbekende fotograaf, ca. 1940 (Letterkundig Museum, Den Haag).

Auteur: Janneke van der Veer

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 873

laatst gewijzigd: 14/11/2016