Dijk, Anna van (1905-1948)

 
English | Nederlands

DIJK, Anna van, vooral bekend als Ans van Dijk (geb. Amsterdam 24-12-1905 gest. Weesperkarspel 14-1-1948), winkelierster, Jodenverraadster. Dochter van Aron van Dijk (1879-1939), incassobureauhouder, en Kaatje Bin (1869-1919). Anna van Dijk trouwde op 13-7-1923 in Amsterdam met Abraham Querido (1899-1944), huisknecht. Dit huwelijk dat op 6-11-1940 werd ontbonden, bleef kinderloos.

Anna (Ans) van Dijk werd geboren als oudste van twee kinderen van niet-religieuze Joodse ouders uit de lagere middenklasse. Ze groeide op in een onderhuis aan de Nieuwe Keizersgracht in de Amsterdamse Jodenbuurt tussen kleine ondernemers; haar vader had sinds 1904 een incassobureau. Ans bezocht de lagere school en was veertien toen haar moeder, een psychisch labiele vrouw, overleed. Haar vader hertrouwde en het gezin verhuisde in 1921 naar een bovenwoning (Jodenbreestraat 16), waar Ans nog twee halfbroertjes kreeg.

Op haar zeventiende leerde Ans van Dijk de Joodse knecht Bram Querido kennen, met wie ze in 1927 trouwde. Het paar woonde vanaf 1937 op de Nieuwendijk 151-hs, tevens het adres van dameshoedenwinkel Maison Evany, waarvan zij uitbaatster en mede-eigenaresse was. In 1939 overleed haar vader in de psychiatrische inrichting Het Apeldoornse Bos; hij zou aan vervolgingswaanzin geleden hebben. Kort daarna strandde haar huwelijk, mede doordat Van Dijk had ontdekt dat ze lesbisch was. In 1940 kreeg ze een relatie met haar Joodse medewerkster Christina (Miep) Stodel (1917), die bij haar introk. Het stel ging graag uit in cafés en Van Dijk maakte tal van vriendinnen in de toenmalige lesbische scene.

‘Beste V-vrouw van de SD’

Door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter verloor Ans van Dijk in november 1941 haar ‘Joodse onderneming’. Vanaf dat moment leidde ze een illegaal leven: ze blondeerde haar haren en verwierf een vals persoonsbewijs op naam van Alphonsia Maria (Annie) de Jong. Vanaf het voorjaar van 1942 woonde ze met Miep Stodel aan de Noorder Amstellaan (nu Churchilllaan), tot haar vriendin in juli van hetzelfde jaar voorgoed naar het buitenland vertrok. Van Dijk handelde in goederen uit Joodse inboedels en hielp verschillende Joden aan onderduikadressen. In januari 1943 dook ze zelf onder bij een gezin in de Marco Polostraat (nr. 192 II). Na verraad viel ze op 26 april 1943 in handen van het Bureau Joodsche Zaken van de Sicherheitsdienst (SD).

Na een hardhandige behandeling door de beruchte Jodenjager Pieter Schaap besloot Ans van Dijk om als ‘V-vrouw’ (collaborateur) voor hem te gaan werken – zo ontkwam ze aan straf en deportatie. Ze liet zich inzetten als celspionne en ontpopte zich tussen mei 1943 en september 1944 als een fanatieke aanvoerster van een groepje Joodse verraders, onder wie Branca Simons en Rosalie Roozendaal. Als ‘de beste V-vrouw van de SD’, zoals men haar bij de SD noemde, speelde ze in Amsterdam en omgeving op geraffineerde wijze en voor veel geld de ene na de andere Joodse onderduiker in handen van de Duitsers. Intussen had Van Dijk een nieuwe relatie met de alleenstaande moeder Johanna Maria (Mies) de Regt (1907). Vanaf september 1943 woonden ze op voorspraak van Bureau Joodsche Zaken in een woning van gedeporteerde Joden in de Jekerstraat 46 II in Amsterdam-Zuid. Die woning fungeerde als een succesvolle ‘Jodenval’, waar onderduikers regelrecht in de armen van de SD liepen. Veel van de ruim honderd slachtoffers, die vertrouwen hadden gesteld in de Joodse Ans van Dijk, onder wie familieleden en bekenden, overleefden het niet.

Doodstraf

Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) verhuisde Ans van Dijk met Mies de Regt naar Den Haag, waar ze tot april 1945 woonden, en vervolgens naar Rotterdam-Zuid. Een reeks aanklachten tegen Van Dijk leidde op 20 juni van dat jaar tot haar arrestatie en opsluiting. Geconfronteerd met haar misdaden bekende Van Dijk alleen de onweerlegbare zaken – in totaal 23. Waar mogelijk ontkende ze en legde ze de schuld bij haar voormalige collega’s. Dat deden de twintig getuigen à charge op 24 februari 1947 tijdens haar rechtszaak voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam ook bij haar: haar ex-geliefde Mies de Regt noemde Ans van Dijk ‘een duivel in mensengedaante’. De president van de rechtbank kenschetste haar optreden als ‘monstrueus’ (Groen, 163) en eiste de doodstraf. De beschuldiging van het – fatale – verraad van haar eigen broer en zijn gezin bekende noch ontkende ze, maar weet ze aan haar psychotische geestestoestand. Dat was ook het enige verweer van haar advocaat, die haar verminderd toerekeningsvatbaar noemde en voor een psychiatrisch onderzoek pleitte. Dat werd afgewezen en op 10 maart 1947 kreeg Van Dijk de doodstraf. Het vonnis werd in hoger beroep bekrachtigd en gratieverzoeken en pogingen om zich als getuige tegen andere collaborateurs ‘onmisbaar’ te maken, mochten niet meer baten.

In afwachting van haar executie had Ans van Dijk nog slechts contact met een nicht en een dominicanes. Dankzij de bemoeienissen van de directrice van de strafgevangenis Rotterdam werd ze katholiek: in een afscheidsbrief (13-1-1948) bedankt Van Dijk haar en hoopt ze ‘dat U mij in de toekomst af en toe in uw gebed zult willen herdenken’ (NIOD). Op 14 januari 1948 om negen uur ’s morgens en na haar eerste heilige communie, eindigde haar leven voor een twaalfkoppig vuurpeloton in fort Bijlmer. Ans van Dijk werd 42 jaar.

Reputatie

Ans van Dijk ging de geschiedenis in als een van de ijverigste, meest gewetenloze Jodenverraders uit de oorlog en de enige vrouw die voor haar oorlogsdaden terechtgesteld werd. ‘Uitgeput, zeer mager, maar opvallend scherp van geest’ had Van Dijk in haar dodencel ten overstaan van de dominicanes wroeging over haar daden getoond (De Linie, 19-3-1948). Ze was naar eigen zeggen ‘volslagen krankzinnig van angst’ geweest voor de SD (gecit. Groen, 164). In zijn biografie noemt Koos Groen haar bovengemiddeld intelligent en een ‘overlever’ met een grote geldingsdrang en een onmiskenbaar gebrek aan zelfvertrouwen (244).

Archivalia

  • Nationaal Archief, Den Haag: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, Anna van Dijk CABR inv. nr. 75212 (BrC 219/47).
  • Stadsarchief Amsterdam: Archief van de Gemeentepolitie, politierapporten 40-45, NL-SAA 20172421 en 20192520.
  • NIOD, Amsterdam: knipselarchief, KB I, inv. nr. 1881; afscheidsbrief van Ans van Dijk 13-1-1948).

Literatuur

  • Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, delen 6-14 (Den Haag 1975-1991).
  • Sera Anstadt, Een eigen plek. Verhalen van een opgejaagde jeugd (Den Haag 1984).
  • Koos Groen, Als slachtoffers daders worden. De zaak van de Joodse verraadster Ans van Dijk (Baarn 1994).
  • David Barnouw en Gerrold van der Stroom, Wie verraadde Anne Frank (Amsterdam 2003).
  • Bart Middelburg, Jeanne de leugenaarster. Adriana Valkenburg. Hoerenmadam, verraadster, femme fatale (Amsterdam 2009).
  • Sytze van der Zee, Vogelvrij. De jacht op de Joodse onderduiker (Amsterdam 2010).
  • Ad van Liempt en J.H. Kompagnie red., Jodenjacht. De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede wereldoorlog (Amsterdam 2011).

Illustratie

Ans van Dijk tijdens haar rechtszaak, 1947 (Beeldbank WO2 - NIOD).

Auteur: Marie-Cécile van Hintum

laatst gewijzigd: 21/07/2016