Gasteren, Josephine van (1917-1989)

 
English | Nederlands

GASTEREN, Josephina van (geb. Den Haag 22-3-1917 – gest. Amstelveen 1-3-1989), actrice, regisseuse, vertaalster, journaliste. Dochter van Louis Augustaaf van Gasteren (1887-1962), acteur, en Elise Menagé Challa (1891-1962), zangeres. Josephine van Gasteren trouwde (1) op 9-11-1941 in Amsterdam met Fons Rademakers (1920-2007), acteur, cineast; (2) na echtscheiding (1943) op 29-9-1949 in Londen met Gordon Thomas Fillery, zakenman. Ze had 1 buitenechtelijke zoon (door haar 1ste echtgenoot geëcht); uit huwelijk (2), dat in 1952 werd ontbonden, werd 1 zoon geboren.

Josephine van Gasteren was de dochter van acteur Louis van Gasteren en de klassiek geschoolde operazangeres Elise Challa. Ze had één broer: de latere cineast Louis van Gasteren junior (1922-2016). Tot haar twaalfde groeide ze op in Den Haag, waar haar vader was verbonden aan het Hofstad Tooneel. Haar ouders waren communist en bewonderaars van Stalin. Vanwege deze communistische oriëntatie sprak Josephine al op haar twaalfde vloeiend Russisch. In 1934 verhuisde het gezin naar Amsterdam en ging Josephine naar de Toneelschool. Volgens Annie Romein-Verschoor, destijds buurvrouw van de Van Gasterens, ging het er in huize Van Gasteren altijd hevig aan toe: ‘De drama’s, die aan de lopende band in hun huis werden opgevoerd en die altijd gingen over hun volmaakt onhandelbare kinderen, waren alleen voor de buitenstaander komisch’ (gecit. Slot, 21-22).

In het eerste jaar van de toneelschool werd Josephine van school gestuurd omdat ze tegen de regels in meespeelde in de film Op stap (1935). Datzelfde jaar debuteerde ze op het toneel bij het gezelschap van Louis Saalborn in De andere wereld van M.H. Szekely-Lulofs. Op achttienjarige leeftijd kreeg ze een buitenechtelijk kind: Robert (1935). De vader was een landelijk bekende acteur, 28 jaar ouder dan zij (Slot, 22). Haar ouders werden tot voogd en voogdes benoemd. Van 1936 tot 1938 was Van Gasteren verbonden aan de Amsterdamsche Tooneelvereniging, van 1938 tot 1941 bij het Nederlandsche Tooneel onder leiding van Cor van der Lugt Melsert en tussendoor deed ze mee aan het Cabaret Mallemolen van Cor Ruys. In 1940 probeerde Josephine de voogdij over haar zoon te krijgen, maar dit verzoek werd afgewezen op grond van een onevenwichtig, losbandig leven.

Moord in de Beethovenstraat

In 1941 leerde Josephine van Gasteren de acteur Fons Rademakers kennen, die later naam maakte als cineast. Ze waren allebei op dat moment verbonden aan het Gemeentelijk Theaterbedrijf Amsterdam, het huisgezelschap van de Stadsschouwburg. Ze moet lid zijn geweest van de Kultuurkamer, al heeft ze dat na de oorlog ontkend. Van Gasteren speelde hoofdrollen in klassiekers van onder anderen Shakespeare, Molière en Ibsen. Op 20 mei 1942 trouwde ze met Fons Rademakers – het paar woonde in de Diepenbrockstraat. Toen broer Louis op 24 mei 1943 de bij hem in de Beethovenstraat ondergedoken Duitse Jood Walter Oettinger om het leven bracht, was ook Josephine daar aanwezig. Ze hield buren, die ‘Hilfe, hilfe, hilfe’ hoorden roepen, op afstand door te zeggen: ‘Misschien studeert mijn vader een nieuwe rol in’ (gecit. Het Parool, 25-5-1991). Haar broer werd aangehouden en Josephine werd door de politie als getuige gehoord maar weer vrijgelaten. Volgens hardnekkige geruchten had ze meer dan vriendschappelijke betrekkingen met hoge Duitsers, onder wie SD-chef Willy Lages. Drie maanden na de moord weken Josephine van Gasteren en Fons Rademakers allebei – maar niet samen – uit naar Zwitserland, nadat ze kort daarvoor officieel waren gescheiden. Rademakers vluchtte vermoedelijk vanwege de Arbeitseinsatz, Van Gasteren wilde waarschijnlijk een getuigenis tegen haar broer ontlopen – hij werd op 15 juni 1944 veroordeeld tot vier jaar cel, maar kreeg op 17 januari 1946 gratie.

‘Madame Sans-Gêne’

Wat Josephine van Gasteren de eerste jaren na de oorlog heeft gedaan, is onduidelijk. Op 9 juni 1948 werd ze opnieuw ingeschreven in het bevolkingsregister van Amsterdam, met als adres Amstelkade 136-hs. Ze probeerde haar carrière te hervatten en deed vooral ‘lichter’ werk. Zo speelde ze bij het cabaret bij Wim Ibo, bij moppentapper Max Tailleur en in blijspelen bij De Komedianten van Johan Kaart. In september 1949 keerde ze het toneelleven de rug toe toen ze in Londen trouwde met de Britse zakenman Gordon Thomas Fillery, onder meer uitvinder van machines voor de bouw. Ze woonde in die tijd in het Victoria Hotel in Amsterdam en emigreerde op 12 mei 1950 met Fillery naar Johannesburg, Zuid-Afrika, waar ze een zoon kregen: Brian. Het huwelijk duurde slechts drie jaar. Van Gasteren woonde enige jaren in Londen en schreef in de jaren vijftig reisverhalen voor het Algemeen Dagblad, Vrije Geluiden, Het Toneel en De Telegraaf. Onder het pseudoniem ‘Madame Sans-Gêne’ had ze in Het Nieuws van de Dag de rubriek ‘Ik zeg maar zo’. In 1961 werden haar verhalen gebundeld in de Bruna-pocket ’t Leven is een picnic.

Medio jaren vijftig vestigde Van Gasteren zich in Amstelveen, waar ze tot haar dood zou wonen. In 1957 speelde ze mee in de speelfilm Stranding, onder regie van haar broer. Vanaf 1958 ging ze weer acteren bij grote gezelschappen, zoals de Nederlandse Comedie, het Nieuw Rotterdams Toneel en Theater. Organiseren zat haar in het bloed. Voor beginnende acteurs organiseerde ze in 1965 workshopreizen naar het amfitheater van Epidaurus, Griekenland. Ook zorgde ze ervoor dat experimentele groepen uit New York naar Nederland kwamen: in 1962 maakte The Living Theatre hier een tournee, in 1970 organiseerde ze in het Mickery Theater in Loenersloot de voorstelling The concept door The Daytop Theatre Company, gespeeld door ex-verslaafden.

Ook zelf bleef Van Gasteren optreden In 1969 en 1970 speelde ze de gedistingeerde mevrouw De Lowe in de tv-serie De kleine zielen, naar de romancyclus van Couperus. Voor haar rol in het stuk Theodoor, een total loss van Eric Schneider won ze in 1970 de publieksprijs. Een jaar later speelde ze een bijrol in de succesfilm Mira, geregisseerd door Fons Rademakers.  Hiernaast verzorgde ze in de jaren zeventig de programmering voor het Piccolo Theater in Rotterdam, richtte ze in 1973 het Stadstoneel Rotterdam op, vertaalde ze toneelstukken en speelde ze solovoorstellingen, zoals Rosa naar dagboeken van Rosa Luxemburg en De eigen wereld en die andere naar Beb Vuyks novelle over de Japanse kampen. Journalist Jan Spierdijk schreef in 1975 dat ze bepaald geen ‘stil vrouwtje’ was: ‘Waar je ook met haar zetelt […] overal laat ze haar opinies schallen over het Nederlandse toneel in de knel van het bestel, over toneeldirecties, acteurs, critici, kranten, soms berstend van enthousiasme, meestal geladen van kritiek’ (De Telegraaf, 6-3-1975). Toen Van Gasteren na de dood van de actrice Ank van der Moer (1983) de rol van Amsterdamse straatsloerie Na Druppel in de volksmusical De Jantjes overnam, zei choreograaf Jack Bow: ‘Josephine als Na Druppel? Dat wordt Na Wáterstráál!’ (mondelinge mededeling aan de auteur).

Bij haar veertigjarig jubileum in 1976 werd Josephine van Gasteren benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Tien jaar later werd ze bevorderd tot Officier. Ze zei in 1976 in een interview dat ze, als ze haar leven over mocht doen, niet opnieuw actrice zou worden: ‘Dit vak is van een dodelijke eenzaamheid – echte vriendschap bestaat onder acteurs nauwelijks’ (gecit. Het Vaderland, 21-2-1976). Het gemis aan vriendschap compenseerde ze met dierenliefde. In Amstelveen, waar ze ereburgeres was, werd ze beschermvrouwe van de Stichting Aap, een opvangplek voor exotische dieren.

Op 67-jarige leeftijd debuteerde Van Gasteren als regisseur van Gekortwiekt van Lezley Havard, een stuk dat ze zelf had vertaald. Een jaar later, in 1985, werd bij haar borstkanker geconstateerd. Ze bleef actief, maar in januari 1989 moest ze de voorstelling Vaarwel Zuster George, waarin ze een uitgerangeerde actrice speelde, vanwege haar ziekte afbreken. Twee maanden later overleed Josephine van Gasteren op 72-jarige leeftijd. In haar woonplaats Amstelveen werd een laan naar haar vernoemd.

Reputatie

Josephine van Gasteren stond bekend als een eigenzinnige, temperamentvolle vrouw die altijd voor zichzelf opkwam. Ze eiste het uiterste van zichzelf en van anderen en wist dat mensen haar daarom lastig vonden: ‘Ik eis van mezelf een inzet van 150 procent, hoewel ik van anderen niet meer vraag dan 100 procent’ (Het Vaderland, 21-2-1976). Journalist Hans Vogel schreef na haar dood: ‘Er was niemand die in Nederland in de buurt van Josephine van Gasteren kon komen. Figuurlijk en soms ook letterlijk. Van Gasteren was decennia lang een van de weinige ‘monstres sacrées’ aan het toneel. Als actrice kon zij verpletterend zijn in grote, liefst Griekse tragedies. Maar Van Gasteren was ook een ras-komediante en soms voerde ze het een én het andere ver door in haar privéleven’ (Het Parool, 30-3-1989).

Naslagwerken

Goffeng; Honig; Theaterencyclopedie.

Archivalia

  • Theater Instituut Nederland (Bijzondere Collecties, Universiteit van Amsterdam): documentatiemap Josephine van Gasteren.
  • Stadsarchief Amsterdam: archiefkaarten.

Publicaties

’t Leven is geen picnic (Utrecht 1961).

Literatuur

Afgezien van diverse artikelen in dag- en weekbladen:

  • Eric Slot, De dood van een onderduiker – Louis van Gasteren en de waarheid (Amsterdam 2006).

Illustratie

Josephine van Gasteren, door Hans van Dijk, 1980 (Nationaal Archief, Den Haag).

Auteur: Anne-Rose Mater-Bantzinger

laatst gewijzigd: 01/09/2016