Lulofs, Magdalena Hermina (1899-1958)

LULOFS, Magdalena Hermina, ook bekend als Christine van Eyck (geb. Soerabaja, Nederlands-Indië 24-6-1899 – gest. Amsterdam 22-5-1958), schrijfster. Dochter van Claas Lulofs (1873-1922), aspirant-controleur bij het Binnenlands Bestuur van Nederlands-Indië, en Sara Christine Dijckmeester (1876-1949). Magdalena Lulofs trouwde (1) op 26-8-1918 in Meester Cornelis met Hendrik Willem Jacob Doffegnies (1894-1969), assistent-rubberplanter; (2) op 10-9-1926 te Boedapest met László Székely (1892-1946), assistent-rubberplanter. Uit huwelijk (1), dat in 1926 werd ontbonden, werden 2 dochters geboren; uit (2) 1 dochter.

Magdalena (roepnaam: Madelon) Lulofs, vernoemd naar haar grootmoeder Magdalena Hermina Adama van Scheltema, werd geboren op een hotelkamer in Soerabaja als eerste van zes kinderen (waarvan twee jong stierven). Toen ze één jaar was, verhuisde het gezin naar het oorlogsgebied Atjeh en in 1904 naar de Padangse Bovenlanden. Na een verlof in Nederland (1908-1909) woonden de Lulofsen in Buitenzorg bij Batavia. Van 1913 tot 1915 bezocht Madelon de HBS voor meisjes in Deventer. Ze woonde in bij haar grootmoeder, die in Deventer woonde, en maakte er kennis met Hein Doffegnies, een burgemeesterszoon uit het nabije Diepenveen.

Twee huwelijken

In 1915 werd Madelon naar Indië teruggeroepen omdat haar moeder een operatie moest ondergaan. Daar ontmoette ze opnieuw Hein Doffegnies, die na zijn eindexamen HBS naar Batavia was vertrokken. De twee verloofden zich in 1917 en trouwden in 1918, toen Doffegnies een aanstelling had gekregen op een rubberplantage in Deli. Het paar ging wonen op een besloten ‘compound’ voor Europese werknemers. Daar werden hun dochters Mary Maud (1919) en Christine (Tinus, 1920) geboren. Later zou Lulofs het ruwe leven in deze mannenwereld indringend beschrijven in haar succesroman Rubber.

Lulofs schreef in deze jaren satirische gedichten voor een plaatselijk plantersblad. Doffegnies was hiervan weinig gecharmeerd. De Hongaar László Székely, collega van haar man, was dat wel. Al snel publiceerde Lulofs onder het pseudoniem ‘Christine van Eyk’ korte verhalen in het weekblad Sumatra, waarvan Székely redacteur was. Haar opbloeiende relatie met Székely deed in de kleine Europese gemeenschap veel stof opwaaien. Lulofs vertrok daarom in 1925 met haar dochtertjes naar Australië, waar haar moeder na de dood van haar man was gaan wonen. Ze kon er echter niet aarden en keerde in 1926 naar Deli terug. Op 21 mei werd haar huwelijk met Doffegnies ontbonden in Medan. Hun dochters werden aan de vader toegewezen.

Onmiddellijk na de scheiding reisde Lulofs met Székely naar Europa. Na een zomer in Venetië en Nice trouwden ze in Boedapest. In 1929 werd in Telok Dalam (Noord-Sumatra) hun dochter Cornelia Malvina (Kotjil) geboren. Inmiddels had Lulofs in het weekblad Sumatra verhalen gepubliceerd over de ‘kolk van afgunst, nijd, kleinzieligheid en andere kleinmenselijke eigenschapjes’ die ze in de planterswereld van Deli zag. In Medan ontmoette ze Annie Salomons, die haar aanmoedigde een roman te schrijven. Lulofs’ verhaal ‘Verzet in 1905’ (1928) kan gelden als een eerste aanzet naar het schrijverschap. In deze jaren woonden Lulofs en Kotjil in een bungalow in de bergen. ‘Beneden’, in de benauwende compound, werd haar man vanwege zijn huwelijk met een gescheiden vrouw met de nek aangekeken. Een verdere loopbaan in de rubber zat er voor hem niet in. De crisis van 1929, waardoor ook de rubberprijs instortte, deed hen besluiten voorgoed naar Europa te vertrekken.

Literaire successen

In de zomer van 1930 betrokken Lulofs en Székely een appartement in Boedapest. Al snel bleek dat hun vermogen – door Székely’s broer belegd –  sterk was geslonken. Zo drong de vraag zich op of ze van hun pen konden leven. In september ging Lulofs in Nederland langs bij de invloedrijke tijdschriftredacteuren Herman Robbers en Frans Coenen. Het was Robbers die haar verder wist te helpen. Als directeur van uitgeverij Elsevier liet hij haar in zijn Maandschrift debuteren met een verhaal onder eigen naam: M.H. Székely-Lulofs. In hetzelfde jaar kwam haar Indische roman De gouden oogst van Deli uit bij Elsevier, zij het onder de titel die commercieel directeur J.P. Klautz had bedacht: Rubber. Roman uit Deli – dit naar het voorbeeld van het succesvolle Oil! van Upton Sinclair (1927). Evenals de roman van Sinclair was Lulofs’ boek uiterst kritisch. Het werd een doorslaand succes. In 1931 werd Rubber al driemaal herdrukt. Op Sumatra was de eerste druk binnen een dag uitverkocht. Indische bladen zoals Sumatra en de Deli Courant waren lovend. De Groene Amsterdammer vergeleek Lulofs met Balzac. Binnen een jaar werd Rubber vertaald in het Duits (Gummi), Engels en Zweeds.

Lulofs’ tweede roman, Koelie (1932), sloeg minder aan. Recensenten namen aanstoot aan het inlandse gezichtspunt van waaruit ze het leven van een contractmigrant beschreef. Eén criticus noemde Koelie een misleidend politiek traktaat. Toch kreeg ook deze roman diverse herdrukken en vertalingen. Van de inkomsten konden de Székely’s zich weldra een buitenhuis in de buurt van Boedapest veroorloven.

Hoewel Lulofs zich verwant voelde aan de auteurs rond het tijdschrift Forum, vond ze geen aansluiting. Forum-redacteur Menno ter Braak liet merken dat hij haar werk indeelde bij het Hollandse realisme van Ina Boudier-Bakker (Lulofs zelf las bij voorkeur Nescio of Elsschot). Ter Braak oordeelde in 1934 hard over Lulofs’ derde roman De andere wereld en over haar Nederlandse vertaling van een Hongaarse roman. Toch werd De andere wereld meermalen herdrukt en Rubber niet alleen tot toneelstuk bewerkt, maar in 1936 zelfs verfilmd. De Amsterdamse vertoning van de film werd door woedende NSB-ers verstoord.

Lulofs’ meest omstreden werk moest toen nog verschijnen. In 1933 had ze in Hongarije een ‘pak van Sjaalman’ ontvangen van een voormalige Indische legerofficier. Het ging over een patrouille die in 1911 op strafexpeditie was gestuurd en hopeloos in het oerwoud was verdwaald. Toen de mannen na vier weken werden gered, bleken 28 van de 75 deelnemers te zijn omgekomen. De toenmalige commandant van deze ‘hongerpatrouille’ hoopte via Lulofs eerherstel te krijgen. Toen De hongertocht van 1911 in 1936 verscheen, kreeg Lulofs de hele conservatieve Indische pers over zich heen: met haar boek maakte ze Indië te schande, net zoals Multatuli ooit had gedaan. De storm van kritiek luwde pas toen de oud-commandant zelf de juistheid van Lulofs’ relaas bevestigde, daarin gesteund door een deel van de Indische legertop. De verkoop van het boek kwam traag op gang. Pas toen ze in 1937 opnieuw in de publiciteit kwam, nu met haar ‘Hongaarse’ roman Het laatste bedrijf, begon ook De hongertocht te lopen.

Oorlogsjaren

Na de Duitse annexatie van Oostenrijk (1938) verhuisden de Székely’s naar Nederland, waar ze hun intrek namen in een pension in Santpoort. Ze hielden hun huizen in het nog niet door de Duitsers bezette Hongarije aan. Lulofs maakte een promotietournee door Nederland, publiceerde een verhaal in het Elseviers Maandschrift en begon aan een nieuwe roman, die evenals Het laatste bedrijf grotendeels in Hongarije speelde. De kleine strijd zag in 1941 het licht, werd gunstig beoordeeld en goed verkocht. Inmiddels was ook Nederland door Duitsland bezet. Dit was voor Székely, die van joodse afkomst was, aanleiding om naar Boedapest terug te keren. Lulofs bleef met dochter Kotjil in Santpoort, waar ze inmiddels een huis bezat en enige onderduikers hielp. In 1942 nam ze de ondergedoken Hongaars-joodse cellist Vilmos Palotai in huis. Met hem begon ze een verhouding, die eindigde toen Palotai het ook met haar dochter aanlegde.

Ondanks regelmatige overboekingen van Lulofs raakte Székely in geldnood. Toen de Duitsers in 1944 Hongarije bezetten, drong Lulofs erop aan dat hij zou onderduiken. Székely negeerde haar advies en wist te overleven, maar hij ging wel failliet. In mei 1945 ontving Lulofs voor het laatst een brief van hem. Nog voor hij naar Nederland kon worden gerepatrieerd, stierf hij in 1946 aan een hartaanval. Lulofs bleef in Nederland en werd door Székely’s broer ingelicht over de nalatenschap.

Nogmaals Indië

Na 1945 kon Lulofs weer haar in de oorlogsjaren door de bezetter gevorderde huis in Santpoort betrekken. Haar werk richtte zich opnieuw op haar geboorteland, dat zich in 1945 onafhankelijk had verklaard. Nederland gaf pas in 1949 zijn aanspraken op, maar Lulofs was al eerder ‘om’. Nog in 1946 had ze in Onze bedienden in Indië als vanouds het belang beklemtoond van een beter begrip voor de inlandse bevolking – alsof ze nog altijd schreef voor de (Nederlandse) elite van ‘ons Indië’. In 1948 was haar toon veranderd. In twee recensies pleitte ze bijvoorbeeld voor minder eenzijdig geschiedenisonderwijs. Ze gaf zelf het voorbeeld met haar biografische roman Tjoet Nja Din, over de negentiende-eeuwse Atjehse prinses Cut Nyak Dhien. Lulofs liet hiervoor een Atjehs heldendicht vertalen. Het boek kwam in 1948 uit in een kleine oplage en werd door de meeste recensenten genegeerd.

In 1951 verhuisde Lulofs naar een flat aan de Beethovenstraat in Amsterdam. Storm in haar hart, haar laatste Indische roman, verscheen aanvankelijk als feuilleton (1952-1953) in het damesblad Margriet. Het was hoofdzakelijk een reprise van haar vooroorlogse werk en ongetwijfeld toegankelijker dan Tjoet Nja Din. Lulofs werkte in deze jaren ook mee aan de vrouwenpagina van Elseviers Weekblad. Ze vertaalde twee romans van Pearl S. Buck en maakte twee reizen naar Israël, waar haar dochter Kotjil in 1950 was gaan wonen en de naam Ruth had aangenomen. Na de Hongaarse opstand van 1956 was Lulofs onder meer als tolk betrokken bij de opvang van vluchtelingen in Nederland.

In 1958 begon Lulofs aan een oud plan: het schrijven van een Nederlandse Forsyte saga. Afleveringen van Alsof het gisteren gebeurde verschenen vanaf 8 maart in Margriet. Het verhaal van ‘Klaartje Ovink’ begon in Deventer en zou eindigen in Indië. De grondige voorbereiding en de wekelijkse dwang vergden echter zoveel van Lulofs, dat enkele tussenafleveringen door een ‘ghostwriter’ zijn voltooid. Na een Indische zakenlunch overleed Madelon Székely-Lulofs op 22 mei in haar Amsterdamse flat aan een hartaanval. Ze is begraven op Zorgvlied.

Reputatie

Madelon Lulofs leeft vooral voort als schrijfster van Rubber, dat sinds 1983 weer onbekort in de handel is. Rubber is meeslepend en beeldend geschreven. Stilistisch is het minder sterk, zoals ook haar grootste pleitbezorger Rudy Kousbroek in 1983 toegaf. Maar Kousbroek liet wel zien hoezeer de voor- en naoorlogse discussie over het ‘Indische’ karakter van Lulofs’ werk door romantisch oriëntalisme was vertroebeld (Kousbroek, 82-90). Zo waardeerde Rob Nieuwenhuys in 1973 Tjoet Nja Din vooral omdat Lulofs van haar ‘een verzetsheldin tegen de Nederlanders’ had gemaakt (Nieuwenhuys, 355).

Nog lange tijd heeft het werk van Lulofs de gemoederen beziggehouden. De hoogleraar Achadiati Ikram, die in 1985 Koelie in het Indonesisch vertaalde, stelde in 1987 op een congres in Jakarta het negatieve, onderdanige beeld aan de kaak dat Lulofs van haar landgenoten had geschilderd. Kousbroek brak een lans voor Lulofs’ realisme, maar Praamstra en Termorshuizen bekritiseerden Koelie in 2002 vanwege de koloniale clichés (Ikram, 127-131; Kousbroek, 107-113; Praamstra en Termorshuizen, 17-18). Kousbroek vermoedde tenslotte dat Lulofs de rauwe Indische werkelijkheid eigenlijk nooit in volle verschrikking heeft laten zien. Dat het inderdaad veel erger was, vooral voor vrouwen die in Deli als concubine dienden, staat nu wel vast (Kousbroek, 82-90; Baay, 199-203).

Naslagwerken

DBNL; R. Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel (Amsterdam 1973).

Archivalia

Zie Okker, 285-286.

Publicaties

Voor een overzicht zie Okker, 287-288.

Literatuur

  • A. Ikram, ‘Vertaalkunst en literaire appreciatie: Koelie van Székely-Lulofs’, in: K. Groeneboer red., Studi Belanda di Indonesia (Jakarta 1987) 127-131.
  • C. van den Wijngaard, ‘Inleiding’, in: M.H. Székely-Lulofs, Rubber. Roman uit Deli (Schoorl 1992) 5-25.
  • R. Kousbroek, ‘De boekhouders van de Nederlandse literatuur’ en ‘Hoe denken andere mensen?’, in: Idem, Het Oostindisch kampsyndroom (4de druk; Amsterdam 1996) 82-90, 100-113.
  • O. Praamstra en G. Termorshuizen, ‘Inleiding’, in:  M.H. Székely-Lulofs, Doekoen (Leiden 2001 [heruitgave in boekvorm van Storm in haar hart]) 7-22.
  • G. Pusztai red., Madelon Lulofs (Debrecen 2007) [themanummer van Acta Neerlandica].
  • R. Baay, De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië (Amsterdam 2008).
  • F. Okker, Tumult. Het levensverhaal van Madelon Székely-Lulofs (Amsterdam 2008).

Illustratie

Gesigneerd portret, door onbekende fotograaf, 1932 (Letterkundig Museum, Den Haag).

Auteur: Kees Kuiken

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 896

laatst gewijzigd: 13/01/2014