Gildemeester, Anna (1867-1945)

 
English | Nederlands

GILDEMEESTER, Anna (geb. Amsterdam 5-12-1867 – gest. Florence 1-1-1945), schilderes. Dochter van Jan Paulus Gildemeester (1825-1901), arts, en Elisabeth Maria Johanna Fortuyn (1840-1915). Anna Gildemeester bleef ongehuwd.

Anna Gildemeester werd geboren op de Amsterdamse Keizersgracht (nr. 720) als jongste van drie dochters in een artsengezin. Haar vader was nierspecialist en in 1851 mede-oprichter van het Nederlandsch Weekblad voor Geneeskunde.  De Gildemeesters waren geparenteerd aan de voorname protestantse families De Clercq, Van Loon, Pierson en Wolterbeek. Veel leden van de familie hadden belangstelling voor beeldende kunst. Zo had Jan Gildemeester Jansz. (1744-1799) een bekende omvangrijke schilderijenverzameling in zijn huis aan de Herengracht (nr. 475). Anna’s neef Paulus Adriaan Gildemeester (1858-1930) behoorde tot de schilders van de Egmondse School en haar nicht Charlotte Elisabeth (1856-1931) was een verdienstelijk amateur-schilderes. Agatha W. Zethraeus (1872-1966), die via Anna’s grootmoeder Fortuyn-Wolterbeek familie van haar was, schilderde in de trant van de Haagse School.

Vroeg werk

Van 1886 tot 1893 was Anna Gildemeester een van de zes vrouwelijke leerlingen aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. Zij was een leerlinge van de schilder Marinus Heijl en de Duitse graveur Peter Rudolf Stang, die ook de leermeester was van Thérèse Schwartze. Na 1893 behield Anna aan de Akademie een ‘loge’, zodat zij er kon blijven werken en aanvullende lessen kon volgen. Met de Akademie-direkteur August Allebé had Gildemeester een nauwe band. Hij schonk haar een voorstudie van zijn schilderij Museumbezoek (1870).

Anna Gildemeester werkte met houtskool, olieverf, en grafiek. In de trant van de Haagse School schilderde zij vooral bloemstillevens, kinderportretten en landschappen. In 1891 werd ze lid van het Amsterdamse kunstenaarsgenootschap Arti et Amicitiae en rond 1900 van de Kunstenaarsvereeniging Sint Lucas. In 1890 verzorgde ze een bijdrage aan de autografenverzameling van Louise Westermann-Heinze, stiefdochter van de componist Heinze.

In 1891 exposeerde Anna Gildemeester met het schilderij ‘Moeder en kind’ op de Tentoonstelling van Oude en Nieuwe Kunst in het Panoramagebouw aan de Plantage Middenlaan (nr. 50). Vele tentoonstellingen volgden. In 1893 hingen in de salon van de Berlijnse kunsthandelaar Gurlitt twee grote schilderijen van haar: ‘Eene vrouw met een broodetend kind’ en een ‘Aankomend meisje in modern-Engelsche kleeding tusschen chrysanthemums’ – laatstgenoemde doek werd door Het Nieuws van den Dag geprezen als ‘rustig en zonder effectbejag’. Tussen 1895 en 1918 was bijna jaarlijks werk van Gildemeester te zien in het Stedelijk Museum op groepstentoonstellingen van Sint Lucas of op tentoonstellingen van Levende Meesters. In 1896 hingen schilderijen van haar in de Maastrichtse Sociëteit Momus op een tentoonstelling van tweehonderd schilders en in 1899 bij de Zutphense Kunstvereeniging Pictura.

Anna Gildemeester onderhield ook contacten met de vrouwenbeweging. In 1898 zat ze met Johanna Naber in de Commissie Versierende Kunst van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag. Ze verzorgde illustraties – tekeningen van meelijwekkende kinderen en moeders – voor de brochure Een volkshuis (1898) van Catharina Alberdingk Thijm, waarin deze een utopisch-socialistisch plan voor de bouw van volkswoningen ontvouwde.

Scheveningen en Heelsum

Samen met haar ouders en zus Kitty (1863-1939) verhuisde Anna Gildemeester in 1900 naar de Cremerweg 8 in Scheveningen, waar haar vader in 1901 overleed. In mei 1902 hing haar werk op de Vierjaarlijksche Tentoonstelling van kunstwerken te Rotterdam en in oktober 1902 in de Haagsche Kunstkring, waar ze zich als ‘werkend lid’ bij had aangesloten. In 1910 deed ze mee aan een tentoonstelling van de vereniging Beeldende Kunst Limburg.

In 1913 vertrok Anna Gildemeester met haar moeder en Kitty naar het Huis te Heelsum in het bekende kunstenaarsdorp aan de Veluwezoom. Ook haar zus Elise (1862-1934) – sinds 1898 weduwe van Jan Govert Schumacher – kwam met haar twee zoontjes naar Heelsum. In het grote huis beschikte Anna over een atelier en ze werd actief in de kunstenaarsvereniging Pictura Veluvensis. Zij exposeerde tussen 1909 en 1919 vier keer in het gebouw van Pictura in Renkum en in 1916 werkte zij met andere leden van Pictura mee aan een liber amicorum voor de zeventigste verjaardag van de Renkumse schilder H.A. van Ingen. Het contact met Amsterdam ging niet verloren. In september 1915 deed ze mee aan een groepstentoonstelling in het Stedelijk Museum, samen met de schilderessen Marie Kelting en Anna J. Baucke-Kleine en beeldhouwster Georgine Schwartze.

Na de dood van haar moeder in 1915 bleef Anna in Heelsum. In 1919 exposeerde zij een kinderportretje op de Tentoonstelling Artibus in Arnhem en correspondeerde zij met de classicus Maurits B. Mendes da Costa naar aanleiding van diens Tooneel-herinneringen (Leiden 1900). Zij vatte in die tijd ook het plan op een kindertehuis te beginnen, waar echter niets van terecht kwam. Waarschijnlijk waren het de daaruit voortvloeiende problemen die haar deden besluiten ‘la via d’esilio’ te kiezen en definitief uit Nederland te vertrekken.

Lugano en Florence

Anna Gildemeester ging naar Lugano – waar ze enige tijd om onbekende reden in een kliniek werd opgenomen – en verbleef vanaf 1926 in Florence. Aanvankelijk woonde ze in een pension, maar in 1927 kocht ze een driekamerappartement aan de Via Vittorio Emanuele (nr. 92), waar ze tot haar dood bleef wonen. Voor zover bekend heeft ze in Italië niet meer geschilderd.

In de oorlogsjaren verslechterde de gezondheid van Anna Gildemeester: ze werd doof en dementeerde. Vanwege de oorlog was het moeilijk geld uit Nederland naar haar over te laten maken, waardoor het ‘Nederlands Noodcomité Florence’ haar financiële lasten tijdelijk moest overnemen. Op 30 december 1944 werd ze opgenomen in het ziekenhuis van Florence, waar ze twee dagen later overleed. Amilcare Cipriani, waarschijnlijk een zoon van de gelijknamige Italiaanse anarchist en getrouwd met Bruna Pianazzi, een dienstbode van Anna, kreeg overeenkomstig haar wens het tijdelijk vruchtgebruik van haar appartement.

Niet duidelijk is hoe omvangrijk het nagelaten oeuvre van Anna Gildemeester is. Veel bevindt zich waarschijnlijk in particulier bezit. Een enkele maal wordt op veilingen werk van haar aangeboden. De portretten van haar ouders, zusters en neefjes die Anna vóór haar vertrek naar Lugano maakte en die tot het hoogtepunt van haar oeuvre behoren, werden na 1939 door de kinderen van Elise Schumacher-Gildemeester uit Heelsum overgebracht naar Amerika. Ze ondergingen een grondige restauratie en zijn nog steeds in particulier bezit.

Naslagwerken

Scheen.

Archivalia

  • Databestanden Stichting Studiecentrum [URL: www.artindex.nl; geraadpleegd 26/07/2015].
  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: Archief van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten 1870-1997, nrs. 175-177, studentenregisters 1870-1927.
  • Bijzondere Collecties, Universiteitsbibliotheek Amsterdam: drie brieven van A. Gildemeester aan Maurits Benjamin Mendes da Costa 1919.
  • Stadsarchief Amsterdam: archief familie Gildemeester.
  • Nationaal Archief Den Haag: archief Nederlands Noodcomité Florence, inv. nr. 5, stukken betreffende Anna Gildemeester 1942-1947.

Werk

Bloemstilleven in Museum Veluwezoom (collectie Overkamp),  afbeeldingen van drie schilderijen en twee krijttekeningen in Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, familieportretten in particulier bezit in de Verenigde Staten.

Literatuur

  • A.J. Derkinderen, De Rijks-Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (Haarlem 1908) [Bijlage F: Naamlijst der leerlingen].
  • Geïllustreerde catalogus der groep-tentoonstelling van de dames A. Gildemeester, Marie Kelting, A.J. Baucke-Kleine. Benevens eenig beeldhouwwerk van Georgine Schwartze (Stedelijk Museum Amsterdam, 4-26 september 1915).
  • C.J. de Bruyn Kops, ‘De Amsterdamse verzamelaar Jan Gildemeester Jansz.’, Bulletin van het Rijksmuseum (1965) 3, 79-114.
  • Wiepke Loos en Carel van Tuyll van Serooskerken red., Waarde heer Allebé. Leven en werk van August Allebé (1838-1927) (Zwolle 1988).
  • Ulla Jansz, ‘Het luchtkasteel van Catharina Alberdingk Thijm’, Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 14 (Amsterdam 1994) 30-45.
  • M. Bol, De kunstvereeniging ‘Pictura Veluvensis’ en haar schilders 1902-1935 (Wageningen 2002).
  • Peter van Wissing, ‘Kunst aan de Veluwezoom. De kunstenaars-vereniging Pictura Veluvensis’, in: D. Verhoeven red., Gelderland 1900-2000 (Zwolle 2006).
  • Hanna Klarenbeek, Penseelprinsessen en broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst (Bussum 2012).
  • Katjuscha Otte e.a., Agatha Zethraeus. Vriendin, leerling en model van Piet Mondriaan (Mondriaanhuis Amersfoort 2014).

Illustratie

Zelfportret, ongedateerd (particuliere collectie).

Auteur: Inge de Wilde

 

laatst gewijzigd: 18/07/2016