Lokhorst, Emma Paulina van (1891-1970)

 
English | Nederlands

LOKHORST, Emma Paulina van (geb. Den Haag 26-8-1891 – gest. Amsterdam 27-5-1970), schrijfster en critica. Dochter van Jacobus van Lokhorst (1844-1906), architect, en Hester de Quack (1854-1935), publiciste. Emmy van Lokhorst trouwde (1) op 12-7-1916 met Hector Elie Henry van Loon (1885-1942), journalist; (2) na echtscheiding (2-6-1919) op 22-7-1922 opnieuw met dezelfde; (3) na echtscheiding (15-2-1927) op 17-3-1927 in Londen met Willem Frederik Johannes Pijper (1894-1947), componist; (4) na echtscheiding (16-1-1936) op 20-4-1938 in Oegstgeest met Paul Theodoor Hugenholtz (1903-1987), psychiater (ontbonden op 23-6-1950). Deze vier huwelijken bleven kinderloos.

Emmy van Lokhorst groeide op in Den Haag. Na de hbs doorliep ze de kweekschool in Arnhem en stond een blauwe maandag voor de klas in Amsterdam. Daarna werd ze au pair in Londen en Ierland. In 1916 trouwde ze met de schrijver-journalist Hans van Loon. Toen hij correspondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant in Parijs werd, ging zij Frans studeren aan de Sorbonne. In 1917 publiceerde ze haar debuutroman Phil’s amoureuze perikelen, die al in afleveringen in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift was verschenen. Deze klassieke ‘Bildungsroman’ gaat over de erotische ontwikkeling van een hbs-meisje. In vijf jaar tijd schreef ze ‘op bestelling', zoals ze het noemde, nog drie vergelijkbare romans. Met haar beschrijvingen van ontluikende erotische gevoelens bij meisjes waarop Van Lokhorst patent leek te hebben, kwam haar werk steeds opnieuw in scandaleus daglicht, maar dit zorgde ook voor verkoopsucces. Sommige critici waardeerden haar ‘doorvoelde’ proza, anderen deden het af als ‘intellectuele kitsch’.

Vier huwelijken

Emmy van Lokhorst leefde haar vrouwelijk liefdesverlangen niet alleen uit in romans en novellen, maar ook in haar persoonlijke leven. Ze stortte zich in allerlei liefdesrelaties, soms in meer dan één tegelijkertijd, met zowel mannen als vrouwen. Zelf verklaarde ze haar ‘onrustige gedrag’ uit haar ongewenste kinderloosheid. Omstreeks 1922 had ze een langdurige verhouding met de journalist Kees van Bruggen, de voormalige echtgenoot van de schrijfster Carry van Bruggen, en diens tweede vrouw May. Gedrieën lieten zij een houten buitenhuisje bouwen in Montigny, vlak buiten Parijs.

Gedurende haar tweede huwelijk met Van Loon kreeg Van Lokhorst een verhouding met de dichter Martinus Nijhoff, die vaak in Parijs verbleef. Ruim een jaar lang, van december 1923 tot in het voorjaar van 1925, schreven zij elkaar over en weer hartstochtelijke brieven en waren er steelse ontmoetingen, onder andere in Montigny. In haar sleutelroman De toren van Babel (1934) verwerkte ze op vileine wijze haar ervaringen met Nijhoff en anderen.

Na de definitieve echtbreuk met Van Loon trouwde Van Lokhorst in 1927 met de componist Willem Pijper, met wie zij eerst in Amsterdam en vanaf 1932 in Wassenaar ging wonen. Haar inmiddels strikt zakelijke verhouding met Nijhoff kwam in gevaar toen de samenwerking van Pijper en Nijhoff aan de opera Halewijn op een conflict uitliep. Van Lokhorst bewerkte in 1935 het tekstmateriaal van Nijhoff tot het uiteindelijke libretto. Inmiddels had ze een langdurige verhouding met de criticus D.A.M. Binnendijk, met wie zij ook uitgebreid correspondeerde. Nadat ze in 1936 van Pijper was gescheiden, hertrouwde ze in 1938 met de psychiater Paul Hugenholtz. Het paar vestigde zich in Amsterdam. Toen Hugenholtz haar na ruim tien jaar verliet voor een patiënte, scheidde ze van hem. Gedurende dit huwelijk onderhield zij sterke vriendschapsbanden met de schrijfster Anna Blaman en de dichteres Vasalis.

Voor de schrijfster Emmy van Lokhorst was haar eigen turbulente persoonlijke leven een grote inspiratiebron. Ze wist onuitsprekelijke verlangens in woorden te vangen, vooral in haar bundel Droomen (1930) en in de novelle Aanloop (1935), over de obsessieve verliefdheid van een kostschoolleerlinge voor haar lerares. De jeugdboeken die ze in deze jaren schreef, zoals Jessy en de anderen (1938) en Veronica (1940), zijn dramatisch en zwaarmoedig. Naast alle romans, novellen, vertalingen en jeugdboeken schreef ze van 1925 tot 1940 toneelrecensies voor De Telegraaf.

Na de oorlog

Afgezien van Onwankelbaar (1946) en Weerlicht (1947), twee romans over de bezetting en het verzet, schreef Van Lokhorst na 1945 geen bellettrie meer. Het ontbrak haar niet aan lezers en gunstige kritieken, maar uiteindelijk vond zij zichzelf niet goed genoeg. Dit oordeel werd waarschijnlijk mede ingegeven door personen uit haar omgeving, wier mening zij zich nog steeds aantrok. Toen ze in 1947 Martinus Nijhoff een bundeltje verzen ter beoordeling toestuurde, schreef hij haar: 'Ik moet je stellig ontraden, ze gebundeld uit te geven. (...) Daar zou je geen plezier van beleven. Zij ontlenen hun waarde aan een hier en daar optredend treffend accent, maar dit is, naar ik meen, voor een boek niet voldoende' (brief dd. 2-2-1947, Archief M. Nijhoff, Lett. Museum).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Emmy van Lokhorst meegedaan aan acties van vrienden tegen de door de Duitsers opgerichte Kultuurkamer. Dit maakte haar na de Bevrijding populair in journalistieke kringen, en zo verschoof haar carrière van het schrijverschap naar redactioneel en organisatorisch werk. Vanaf 1945 schreef ze voor het weekblad De Groene, vooral over Franse literatuur, en in 1948 kwam ze in de redactie van het literaire blad Ad Interim, dat in 1950 fuseerde met De Gids. Van 1952 tot 1964 schreef ze literatuur- en toneelkritieken voor De Gids. Als secretaris van de Vereniging van Letterkundigen zat ze in verschillende jury’s van literaire prijzen, onder meer die van de P.C. Hooftprijs. Bovendien werd Van Lokhorst vanaf 1953 een bekende radiostem omdat ze als toneeldeskundige meewerkte aan het VARA-programma De artistieke staalkaart – dit deed ze tot 1965. Zo speelde ze achter de schermen een belangrijke rol in het literaire leven van naoorlogs Nederland. Toen zij in 1964 koninklijk werd onderscheiden en lof kreeg toegezwaaid over haar werk als secretaris van de Vereniging van Letterkundigen, antwoordde ze nogal snibbig: ‘Dáárvoor ben ik niet onderscheiden, maar als schrijfster’ (Kelk, 118).

In 1967 kwam Emmy van Lokhorst in een Amsterdams verpleegtehuis terecht, waar zij na drie jaar op 78-jarige leeftijd overleed.

Reputatie

De schrijfster Emmy van Lokhorst is vooral de geschiedenis ingegaan als de minnares van bekende literatoren. Een vroegere collega bij De Telegraaf herdacht haar als volgt: ‘Een voorbeeld van een karakteristieke Nederlandse schrijfster is Emmy van Lokhorst nooit geweest, hoezeer ze haar stof veelal toch op eigen bodem vond. Iets van de behaagzucht, de behoefte aan raffinement en de onbevangen aandacht voor het erotische spel, het Franse literaire karakter meer eigen dan het Nederlandse, maakte zich altijd meester van de stof en de vorm’ (Schmitz). Uiteindelijk onderging ze hetzelfde lot als de meeste van haar vrouwelijke generatiegenoten: hun werk kwam terecht in de stoffige hoek van de damesroman en het meisjesboek. Van Lokhorst zelf vond dit terecht. ‘Elke man heeft intellect van nature, elke vrouw is geneigd te vegeteren’, noteerde zij in haar dagboek. ‘Dat vrouwen zich wenden naar de kunst, is vergeefs, a priori’ (Ongepubliceerd dagboek Van Lokhorst). Zelf hield Van Lokhorst haar escapades nauwgezet bij. Hiermee vormt haar nalatenschap een rijke bron voor het persoonlijk leven en intieme details van haar tijd- en bedgenoten.

Emmy van Lokhorst was een aantrekkelijke verschijning, die tot hoge leeftijd veel zorg aan haar uiterlijk besteedde. Er was een ‘drang naar verjeugdiging in haar, die haar er toe opwekt, haar verschijning te verzorgen’ (Ritter jr., 59). In die eeuwige jeugd heeft Van Lokhorst zichzelf bevroren, door nog tot in de jaren zestig interviews en dergelijke vergezeld te laten gaan van haar portretfoto uit de jaren twintig.

Naslagwerken

Bork; Van Bork/Verkruijsse; BWN; Ter Laan.

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: Collectie E.P. van Lokhorst.

Publicaties

Behalve de in de tekst genoemde publicaties:

  • Lenoor Sonnevelt (Rotterdam 1918).
  • Strooptochten (Rotterdam 1920).
  • Phil's laatste wil (Amsterdam 1921).
  • Bart Jorgen (Rotterdam 1922).
  • Vrouwen (Amsterdam 1929).
  • Overgang. Een boek voor oudere meisjes (Amsterdam z.j. [1930]).
  • Het welzijn van den uitwendigen mensch (Den Haag 1930).
  • Reigersberg (Amsterdam 1933).
  • Van aangezicht tot aangezicht (Amsterdam 1937).

Literatuur

  • T. van Gelderen-de Witt, [interview], Haagsche Courant, 24-1-1934.
  • P.H. Ritter jr., Ontmoetingen met schrijvers. Figuren der oude en midden-generatie (Den Haag 1956) 59-60.
  • Marie Schmitz, [necrologie], NRC Handelsblad, 28-5-1970.
  • C.J. Kelk, Wie ik tegenkwam (Den Haag 1981).
  • Anna Blaman, Ik schrijf het je grof-eerlijk. Briefwisseling met Emmy van Lokhorst en Sonja Witstein, Aad Meinderts ed. (Amsterdam 1988).
  • Erica van Boven, Een hoofdstuk apart. ‘Vrouwenromans’ in de literaire kritiek, 1898-1930 (Amsterdam 1992).

  • Marja Pruis, ‘“Laten we in alle stilte lang en zacht van elkaar houden”. De sublieme momenten van Emmy van Lokhorst en Martinus Nijhoff', Jaarboek Letterkundig Museum 4 (1995) 77-104.
  • Jan van der Vegt, A. Roland Holst. Biografie (Baarn 2000).
  • Marjo van Soest, Emmy van Lokhorst (1891-1970). Mijn tranen van verlangen zijn hete geisers’, Nieuw Letterkundig Magazijn 32 (2014) 61-64 [verschenen na publicatie van dit lemma].

Illustratie

Emmy van Lokhorst, door Felix Bonnet, ongedateerd (Literatuurmuseum, Den Haag).

Auteur: Marja Pruis

 

laatst gewijzigd: 21/07/2017