Leenmans, Margaretha (1909-1998)

 
English | Nederlands

LEENMANS, Margaretha, vooral bekend als M. Vasalis (geb. Den Haag 13-2-1909 – gest. Roden, Drenthe 16-10-1998), dichteres en psychiater. Dochter van Hendrik Arie Leenmans (1876-1954), leraar, en Louise Ernestine Creutzberg (1876-1969), verzekeringsagente. Margaretha Leenmans trouwde op 3-3-1939 in Den Haag met Jan Droogleever Fortuyn (1906-1999), hersenonderzoeker, later hoogleraar neurologie. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 2 zoons geboren, van wie 1 zoontje jong overleed.

Margaretha Leenmans – roepnaam Kiekie of Kiek – werd geboren aan de Scheveningse kant van Den Haag, als jongste van twee dochters. Kieks vader, ‘Hal’ Leenmans, was een erudiete geschiedenisleraar aan het Gymnasium Haganum. Haar moeder verzorgde het gezin en ging in 1916, toen beide kinderen schoolgaand waren, werken als zelfstandig verzekeringsagente. Beide ouders, van huis uit Nederlands Hervormd, waren idealistische, vrijzinnige socialisten die zich interesseerden voor kunst, literatuur, filosofie en politiek. Ze ontvingen thuis veel schrijvende en politiek actieve vrienden, zoals de socialist Wim Bonger en historicus Hendrik Bolkestein, de essayiste Josine Meijer en het SDAP Kamerlid Agnes de Vries-Bruins. Kiek Leenmans had een gelukkige jeugd, waarin de nabijheid van de zee – onderwerp van meerdere van haar latere gedichten – een belangrijke rol speelde. De band met haar ouders en haar zus Ank (1906-1977) bleef altijd zeer innig.

Debuut en huwelijk

Na haar eindexamen gymnasium aan het Haags Lyceum studeerde Kiek Leenmans vanaf 1927 medicijnen in Leiden – evenals haar zuster – en daarnaast enkele jaren ‘etnologie’, het vak dat later antropologie werd. Haar fascinatie voor het vreemde werd ook gevoed in de colleges psychopathologie van professor Carp, die haar deden besluiten zich te specialiseren in de psychiatrie. In 1934 begon zij in het (psychiatrisch) Provinciaal Ziekenhuis Santpoort als arts-assistent. Daar begon ze met het schrijven van gedichten, waarvan ze er enkele voorlegde aan collega-arts en schrijver Simon Vestdijk, redacteur van Groot Nederland. Vestdijk was enthousiast en zo debuteerde ze in augustus 1936 in Groot Nederland met vijf gedichten, waaronder het later befaamd geworden ‘De idioot in het bad’. Omdat haar initialen M.L. niet als pseudoniem geaccepteerd werden, koos ze voor ‘Vasalis’ – gevormd naar ‘vazal’, een synoniem van ‘Leenman’. Dat was tevens een hommage aan haar vader, die in zijn studententijd gedichten had geschreven onder het pseudoniem ‘de vazal’. Het pseudoniem luidt M. Vasalis, niet ‘Maria’ of ‘Marie’ Vasalis, zoals sommigen nog altijd menen. De criticus Menno ter Braak was onmiddellijk getroffen door Vasalis’ debuut, met name door het gedicht ‘Tijd’ (‘Ik droomde dat ik langzaam leefde/ langzamer dan de oudste steen’) waaraan hij meermalen lovend aandacht besteedde. Zo verwierf Vasalis al literaire faam voordat haar eerste bundel verscheen.

In Santpoort kreeg Kiek Leenmans ernstige reuma-klachten. Ze reisde in het najaar van 1936 per boot naar Zuid-Afrika en verbleef er tot augustus 1937 in het herstellingsoord Meltonwold, op een schapenfarm in de halfwoestijn de Karoo. Veel vroege gedichten, zoals ‘Het ezeltje’ en ‘De trek’, en ook haar enige novelle, ‘Onweer’, dragen de sporen van dat verblijf. Na terugkeer in Nederland was zij vanaf 1938 als arts verbonden aan het Wilhelmina Gasthuis (WG) te Amsterdam, waar zij Jan Droogleever Fortuyn ontmoette. Ze trouwden in maart 1939. Net als Kiek was Jan ‘zenuwarts’. Naast hun werk in het WG hield het echtpaar ook praktijk aan huis. In 1940 verscheen Vasalis’ eerste dichtbundel, Parken en woestijnen, bij A.A.M. Stols. De bundel werd enthousiast besproken en het jaar daarop kreeg ze er de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor. Binnen vijf jaar waren er negen herdrukken (de uitgever antidateerde die op 1941 om het in oorlogstijd geldende publicatieverbod te omzeilen).

In april 1940 werd hun dochter Lous geboren, in april 1942 gevolgd door zoon Dicky. Vanaf dat jaar woonde het gezin Droogleever Fortuyn in de Vondelstraat. In Amsterdam raakte Kiek Leenmans bevriend met onder anderen de dichters Bertus Aafjes en Victor van Vriesland, de schilder Edgar Fernhout en diens latere vrouw Netje, de schrijfster Emmy van Lokhorst en de componist Rudolf Escher. De oorlogsjaren waren zwaar: Kiek was diep geschokt door het ontslag van joodse collega’s bij het WG en de razzia’s op joden – onder wie ook patiënten. Bij de polio-epidemie van 1943 stierf Dicky. Jan werd bovendien getroffen door een psychose, waarvoor hij drie maanden werd opgenomen. Dit alles maakte van 1943 ‘een hellig jaar’. In de winter van 1944 – de hongerwinter – kwam hun derde kind, Hal, ter wereld.

Kinderpsychiater in Groningen

In 1947 verscheen Vasalis’ tweede bundel, De vogel Phoenix, waarin het verlies van het kind een thema was. Ook deze bundel werd goed ontvangen. Vasalis manifesteerde zich in deze periode ook met literaire kritieken en essays en was in de jaren 1948-1953 betrokken bij het tijdschrift Libertinage. In 1947 werd haar vierde kind, Maria, geboren en tussen de bedrijven door had ze in Amsterdam nog steeds haar praktijk als psychiater voor volwassen patiënten. In periodes dat Jan voor zijn hersenonderzoek in het buitenland zat, deed ze zijn praktijk erbij.

Toen Droogleever Fortuyn in 1951 hoogleraar neurologie werd in Groningen verhuisde het gezin daarheen. Kiek Leenmans was nu haar praktijk kwijt. Haar vele vrienden maakten dat ze toch altijd midden in het leven stond: Harro en Carina Bouman, universitaire collega’s van Jan zoals Bert Röling, de econoom Jan Pen, het gezin van de musicoloog en componist Bertus van Lier. Van de jaren zestig dateren haar vriendschappen met schrijver Gerard Reve, uitgever Geert van Oorschot – wiens literaire mentor zij werd – en de dichteressen Judith Herzberg, Elisabeth Eybers en Fritzi Harmsen van Beek.

Vasalis’ Vergezichten en gezichten (1954) verscheen bij Van Oorschot, die later ook de rechten op haar oudere werk verkreeg. Voor deze derde bundel ontving ze in 1955 de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, maar de critici waren iets minder lovend dan bij haar eerdere bundels. Het literaire klimaat was veranderd met het aantreden van de Vijftigers, een nieuwe generatie jonge dichters – allemaal mannen – die van Vasalis het symbool van de oudere generatie maakten. Na deze derde bundel viel het schrijven haar moeilijk. Ze hield weliswaar wat lezingen, stelde twee bloemlezingen samen – De muze en de dieren (1954) en De dichter en de zee (1960) – en kreeg de Culturele prijs van de provincie Groningen (1963), maar ze was niet tevreden met haar werk en wilde eigenlijk helemaal opnieuw beginnen. ‘M. Vasalis is dood’, zo verkondigde ze meermaals aan vrienden en uitgever. Ze pakte haar beroep van psychiater weer op, ditmaal als kinderpsychiater. Het ging om een parttime baan, vanaf 1958 bij het Medisch Opvoedkundig Bureau in Assen en vanaf 1961 bij het MOB in Groningen. Ze werkte door tot haar zeventigste.

Oeuvreprijzen

Begin 1964 verhuisde Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans met man en jongste kind naar het Drentse Roden. Ze genoot er van de rust en de natuur. In 1974 kreeg ze de Constantijn Huygensprijs en in 1982 de P.C. Hooftprijs voor haar hele oeuvre, ook al had ze slechts drie dichtbundels gepubliceerd, in totaal honderd verzen. Ook deze prijzen stimuleerden haar niet tot nieuwe gedichten. De naderende dood deed dat wel: tegen het einde van haar leven trachtte Vasalis haar vele onvoltooid gebleven gedichten af te maken. Ze schreef ook nog nieuwe, zoals het zeer korte ‘Ouderdom’, waarin zij haar voorbereiding op de dood wel zeer verrassend verbeeldt: ‘Ik oefen als een jonge vogel op de rand/ van ’t nest, dat ik verlaten moet/ in kleine haperende vluchten/ en sper mijn snavel’.

Margaretha Leenmans overleed op 16 oktober 1998, drie maanden vóór haar echtgenoot. Na haar dood stelden haar kinderen aan de kant van haar aanwijzingen een postume bundel samen, De oude kustlijn (2002), met vijftig nieuwe gedichten.

Reputatie

Vasalis’ kleine oeuvre werd ongekend populair en is dat tot op heden gebleven. Dat haar werk de tand des tijds heeft doorstaan heeft te maken met haar eenvoudige, bijna afwezige techniek en het alledaagse taalgebruik, zonder ouderwetse poëtisch geladen woorden. Die gaan samen met gedurfde beeldtaal, met complexe emoties, zelfs met mystieke ervaringen en visioenen die niets zweverigs hebben omdat ze zo direct zijn. Ondanks enkele kritische geluiden bij het verschijnen van De oude kustlijn (2002), over clichés en sentimentaliteit, is Vasalis’ werk nog steeds een hogelijk gewaardeerd en klassiek ijkpunt.

Vasalis’ poëzie toont overeenkomsten met die van Eybers en van Gerrit Achterberg. Ook Emily Dickinson en Edna St Vincent Millay (een persoonlijke vriendin van Vasalis) vallen te beschouwen als poëtische verwanten. Op haar beurt beïnvloedde Vasalis tal van Nederlandse dichters, mede door haar populariteit en de frequente aanwezigheid van haar gedichten in bloemlezingen en schoolboeken. Nederlandse dichters als Hanny Michaelis, Rutger Kopland en Neeltje Maria Min, maar ook Vlaamse dichters als Leonard Nolens en Herman de Coninck zijn schatplichtig aan Vasalis.

Naslagwerken

Van Bork/Verkruijsse; Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur; Ter Laan.

Archivalia

Voor een lijst van archivalia, zie Meijer, M. Vasalis. Een biografie.

Publicaties

Verzamelde gedichten (Amsterdam 2006) [bevat alle gedichten uit de in de tekst genoemde vier dichtbundels].

Voor een volledig overzicht van Vasalis’ kritieken, essays, bloemlezingen, dankwoorden en afzonderlijk gepubliceerde gedichten, zie Meijer, M. Vasalis. Een biografie.

Literatuur

  • Menno ter Braak, ‘Twee tijden’, Het Vaderland, 3-1-1937 [ook in: Idem, Verzameld werk, dl. 6, Amsterdam 1980, 293-298].
  • Menno ter Braak, ‘De poëtische schok’, Het Vaderland, 19-12-1937 [ook in: Idem, Verzameld werk, dl. 6, Amsterdam 1980, 521-531].
  • Adriaan Morriën, ‘Kroniek van de poëzie, de geheimzinnigheid van het gewone’, Criterium 6 (1948) nr. 1, 23-31.
  • Harry Scholten, ‘Over de poëzie van M. Vasalis’, Tirade 19 (1975) nr. 204, 244-254.
  • Elly de Waard, ‘Het poëtisch gelijk van Vasalis’, De Volkskrant, 5-1-1980.
  • Elly de Waard, ‘Het raadselachtig zwijgen van een groot talent’, De Volkskrant, 12-1-1980.
  • Herman de Coninck, ‘De eeuwigheid nu’, in: Idem, Over de troost van pessimisme (Antwerpen 1983) 75-89.
  • Dirk Kroon red., Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd. Beschouwingen over het werk van M. Vasalis (Den Haag 1983).
  • Dirk Kroon, ‘Eenheidsverlangen en eenheidsbesef in de poëzie van M. Vasalis’, Bzzlletin 12 (1983-1984) nr. 115, 3-10.
  • Maaike Meijer, ‘M. Vasalis en het interpretatiekader van de mystiek’, in: Idem, De lust tot lezen. Nederlandse dichteressen en het literaire systeem (Amsterdam 1988) 21-45.
  • ‘Droogleever Fortuyn, Fortuyn Droogleever’, Nederland’s Patriciaat 75 (1991) 45-71.
  • Maaike Meijer, ‘M. Vasalis en de reis naar de onderwereld’, in: Wiel Kusters red., ‘In een bezield verband’. Nederlandstalige dichters op zoek naar zin (Nijmegen 1991) 215-235.
  • Léon Hanssen, Een misverstand om in te geloven. De poëzie van M. Vasalis (Amsterdam 2007).
  • Maaike Meijer, M. Vasalis. Een biografie (Amsterdam 2011).

Voor overzichten van de omvangrijke literatuur over Vasalis, zie Hanssen, Een misverstand om in te geloven, en Meijer, M. Vasalis. Een biografie.

Illustratie

Portretfoto, door onbekende fotograaf, ca. 1935 (Archief Erven Droogleever Fortuyn).

 

Auteur: Maaike Meijer

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 923

laatst gewijzigd: 15/04/2015