Poolman, Elisabeth Christina (1849-1930)

 
English | Nederlands

POOLMAN, Elisabeth Christina (geb. Amsterdam 26-5-1849 – gest. Den Haag 21-4-1930), actrice. Dochter van Hendrik Poolman (1821-1910), blikslager, en Johanna van Gool (1825-na 1899). Christina Poolman had een relatie met Pierre August Morin (1819-1895), acteur. Uit deze relatie werd 1 dochter geboren.

Christine Poolman was een jaar ouder dan ze later deed geloven. Ze werd in 1849 in Amsterdam geboren als eerste van vijf (drie meisjes, twee jongens) van een katholieke blikslager. Broer Henri (1853) en zus Anna (1855) zouden later ook aan het toneel gaan. Het gezin woonde op een steenworp afstand van de oude stadsschouwburg aan het Leidseplein en haar onbemiddelde ouders waren bevriend met de directie en enkele toneelspelers. Toen Christine nog maar net kon lopen, had ze er haar eerste rol: in De Verkwister verscheen ze in haar nachtjapon en met twee koekjes in de hand ten tonele. Als vierjarig dochtertje van een schuldenaar speelde ze mee in De Betaaldag (ca. 1853). Ze had een rammelaar waar twee deurwaarders beslag op kwamen leggen, maar ze begon hard te huilen en liet zich het ding niet afpakken.

Het Nederlandsch Tooneel

Christine speelde haar eerste serieuze rol op elfjarige leeftijd (1860) in de salon van Jean Eugène Duport in de Nes. Ze had toen de titelrol in De kleine waarzegster, een Duits stuk waarin ook een jonge Louis Bouwmeester speelde. Honderd pagina’s tekst schijnt zij zonder haperingen te hebben opgezegd. Ondanks dit talent wilden haar ouders niet dat ze bij het toneel ging; ze moest het modevak in. Toen er in 1869 bij het gezelschap van Roobol en Tjasink onverwacht een speelster nodig was in Vuur en strijd of Amsterdam in 1672 stelde Maria Kleine-Gartman voor om ‘Krissie van de Poolmans’ te vragen. Kleine-Gartman leerde haar de rol en Christine speelde hem met verve in de Stadsschouwburg. Met ouderlijke toestemming kreeg ze vervolgens een vaste aanstelling bij het gezelschap. Kleine-Gartman bleef ook hierna haar mentor: ze besprak de rollen met haar, hielp de kostuums uit te kiezen en hamerde op een natuurlijke tekstpresentatie.

Christine Poolman speelde bij Roobol en Tjasink meestal een jong meisje. Ook hoorde ze steevast bij de ‘rei van Amsterdamse maagden’ in de Gijsbrecht. Rond haar twintigste kreeg ze een relatie met de veel oudere en gehuwde toneelspeler Pierre August Morin. In 1870 beviel zij van een buitenechtelijke dochter, Augustina Johanna, die zij alleen zou opvoeden. Tussen 1872 en 1877 werkte ze bij losse gezelschappen, zoals Judels en Bouwmeester. In 1877 werd ze geëngageerd door de nieuwe Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel, waaraan ook minnaar Morin en mentor Kleine-Gartman verbonden waren. Bij dit gezelschap (na 1882: KVHNT) speelde ze Isabella van Portugal in De sprookjes van de koningin van Navarre (1879) maar ook de min Jacqueline in Molières Dokter tegen wil en dank (1879). Het Rotterdamsch Nieuwsblad prees haar spel als ‘recht proper en frisch’ (7-10-1879). In 1881 schitterde ze als ‘trouwlustige’ vrijgezelle in Een meisje van dertig jaar, waarin Morin de oudere heer speelde die nooit wenste te trouwen. Datzelfde jaar speelde ze in het blijspel Amerikaansch of niet (1881). Poolman kreeg hiervoor koninklijke erkenning: vanwege haar rol als Claire schonken de koning en koningin haar een gouden armband met briljanten en topazen. Ook mocht ze het stuk komen spelen op een soirée aan het hof.

Toneeljubilea

Het Nederlandse schouwburgpubliek raakte bijzonder gesteld op Christine Poolman. Toen in 1883 het valse gerucht rondging dat ze naar België zou vertrekken, sprak een anonieme brievenschrijver zijn hoop uit dat ze voor het Nederlandsch Toneel behouden bleef (Rotterdamsch Nieuwsblad, 4-12-1883). Na het toneelafscheid van leermeesteres Kleine-Gartman in 1885 volgde Poolman haar op als Badeloch in de Gijsbrecht. Ondanks aansporen van haar voorgangster – ‘geen zwakke toon Kris!’ – zou zij de stoere middeleeuwsche burchtvrouw soms ‘te week’ neerzetten (Albach, 108). In deze tijd ging ze met haar dochter wonen op een etage in de Amstelstraat (nr. 11). In 1886 verhuisden zij naar de Ferdinand Bolstraat (nr. 42), waar ze introkken bij Poolmans jongere zus Anna.

In 1895 vierde was Christine Poolman haar 25-jarige ‘toneelwerkzaamheid’ met de jubileumvoorstelling De Compagnon van Adolf L’Arronge, waarin ze het dienstmeisje Marie speelde. Na afloop ontving ze ovaties, bloemen en geschenken van publiek en collega’s. Ze behoorde niet tot de toneeltop, maar de kritiek roemde haar als ‘eenvoudige, goede actrice’ (Algemeen Handelsblad, 19-2-1895). Vooral in moederrollen als in De Moeder van Josine Simons-Mees en (als Pieternel) in Kloris en Roosje excelleerde ze. Daarnaast speelde ze een groot aantal personages in moderne Nederlandse toneelstukken, zoals Marie in Domheidsmacht van Marcellus Emants (1903, uitgevoerd in 1904). Bij de viering van haar veertigjarig toneeljubileum, in Den Haag (1909) was de schrijver persoonlijk aanwezig.

Onzeker

Door een ongelukkige instap op de tram brak Christine Poolman in 1914 haar arm, met het gevolg dat ze tijdelijk niet kon spelen. Na enkele maanden stond ze weer op het toneel, als Tante Letje in Ferdinand Huyck. Ze vond zichzelf als 65-jarige echter te oud worden als actrice. Een toenemende doofheid maakte haar bovendien zenuwachtig en onzeker, en daarom besloot ze met toneelspelen te stoppen. In 1916 hield Poolman een uitvoerige afscheidstournee door het land, waar ze als weduwe De Wilde in Lentewolken veel applaus, bloemstukken en andere huldeblijken ontving. Nog datzelfde jaar verscheen Poolman in de geluidloze film Een danstragedie van Johan Gildemeyer (1916). Hierin speelde ze haar laatste rol, als de strenge moeder van hoofdpersoon Mario.

Na het filmoptreden verdween Christine Poolman uit de publiciteit. Met haar dochter en schoonzoon, de acteur Jan C. de Vos, verhuisde ze naar Den Haag. In de pers klaagde ze over kortingen op haar pensioen: ze kreeg nog maar twaalf gulden per maand. Niettemin bleef ze optimitisch gestemd en noemde ze haar krappe volkswoning haar ‘winterkasteel’ (Rotterdamsch Nieuwsblad, 3-10-1925). Op 21 april 1930 stierf Christine Poolman in de ouderdom van 79 jaar. Vier dagen later werd zij met de grootst mogelijke eenvoud gecremeerd op Westerveld.

Betekenis

Christine Poolman werd in de kranten herdacht als ‘beminnelijke en eenvoudige vrouw’, een echte Hollandse met gevoel voor humor. Naturel spelen was haar bijgebracht door Kleine-Gartman, maar ze leerde het vooral in de praktijk. Rond haar vijftigste begon ze naar eigen zeggen pas door te krijgen wat toneelspelen werkelijk inhield. ‘Vroeger had je maar te declameeren […] Tegenwoordig verlangt men werkelijkheid en om die te geven moet je hard blokken’ (gecit. Algemeen Handelsblad, 25-4-1930). Met haar natuurlijke spel in zowel traditioneel als modern repertoire werd ze de lieveling van het publiek. Ook onder acteurs was Poolman geliefd: na het bericht van haar dood hingen oude en jongere collega’s te harer nagedachtenis een lauwerkrans aan haar portret in de Stadsschouwburg.

Naslagwerken

Goffeng; Honig; Theaterencyclopedie.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam: BS, Overgenomen Delen.

Rollen

Overzicht in Honig, 742-744.

Literatuur

  • Algemeen Handelsblad, 7-3-1881.
  • Nieuws van den Dag, 13-8-1881; 14-2-1895; 18-2-1895 [korte biografie].
  • De Telegraaf, 19-2-1895 [kopie brief Kleine-Gartman over Poolman, 1869].
  • ‘Het Tooneel te Amsterdam’, Dramatisch Jaarboek (1910) 163-166.
  • Leidsch Dagblad, 25-4-1930 en Algemeen Handelsblad, 25-4-1930 [necrologieën].
  • Ben Albach, Drie eeuwen ‘Gijsbrecht van Aemstel’ (Amsterdam 1937) 108-109.

Illustratie

Christine Poolman als Vrouw Moes in Zegen naar strijd, door Hendrik Klaas Teune, 1901 (Spaarnestad Photo).

Auteur: Maarten Hell

laatst gewijzigd: 09/08/2017