Prijes, Sientje (1876-1933)

 
English | Nederlands

PRIJES, Sientje, ook bekend onder het pseudoniem Sani van Bussum (geb. Amsterdam 7-8-1876 – gest. Amsterdam 8-7-1933), naaister, vakbondsbestuurster en schrijfster. Dochter van Moritz Prijes (ca. 1838-1896), horlogemaker, en Marianne Speijer (1839-1913). Sientje Prijes trouwde op 31-10-1901 in Amsterdam met Frerich Ulfert Schmidt (1870-1939), onderwijzer. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Sientje (Sani) Prijes groeide op in een arm middenstandsgezin in de Amsterdamse ‘Jodenbuurt’. Haar moeder, dochter van een marktkoopman, was een Amsterdamse, haar vader kwam uit Vlissingen. Sani had een drie jaar oudere broer Michel en een bijna twee jaar jongere zuster Caroline. Twee kinderen na haar stierven jong. Na de lagere school moest Sani tot haar verdriet kostuumnaaister worden. Later zou ze verzuchten dat al haar illusies toen waren vervlogen: ‘verlangen te studeren, schooljuffrouw, zangeres of zoiets te mogen worden, en dan tenslotte bij het naaivak te worden ingelijfd!’

Vakbondswerk

Onder invloed van het werk van Henriette Roland Holst en Herman Gorter werd Prijes rond 1897 lid van de SDAP en niet lang erna (5-1-1898) lid van de Amsterdamse Naaistersvereeniging ‘Allen Een’, die net was opgericht. Voorzitster Roosje Vos vroeg haar secretaris te worden. Door fusie met een Rotterdamse naaistersvereniging ontstond een half jaar later de Algemeene Nederlandsche Naaistersbond (ANNB), waarvan Prijes opnieuw secretaris werd. Toen de ANNB in oktober 1898 De Naaistersbode begon, werd Prijes redactrice. Van begin af aan bleek haar schrijftalent, gekenmerkt door sprankelend sarcasme. Ook als gloedvol spreekster viel zij op.

De vakbondsloopbaan van Sani Prijes was kort maar krachtig. In de Naaistersbond onderscheidde zij zich vooral als propagandiste en ideologe. Ze profileerde zich als overtuigd marxiste en kemphaan tegen het ‘burgerlijk’ feminisme, waarvan haars inziens proletarische vrouwen niets te verwachten hadden. Zij was een groot voorstander van een ‘moderne’, strak geleide, centralistische vakbeweging. Vanuit die optiek bepleitte zij ook – ten slotte met succes – het samengaan van de Naaistersbond met de even kleine Kleermakersbond: in februari 1901 ontstond de Bond in de Kleedingindustrie, met circa driehonderd leden. Roosje Vos werd de eerste voorzitster, Sani Prijes weer secretaris en redactrice van De Naaisters en Kleermakersbode. Nog altijd verdiende zij haar brood als naaister, sinds 1900 bij de vanuit de Naaistersbond opgerichte coöperatie Samenwerkende Linnennaaisters. In de loop van 1901 bleek dat ze roofbouw op haar lichaam had gepleegd: ze moest haar taak van bondssecretaris/redactrice neerleggen. Ze nam in de plaats daarvan het voorzitterschap op zich, maar verzuimde meer dan eens vergaderingen wegens ziekte.

In oktober 1901 trouwde Prijes met de onderwijzer Frerich (Frits) Schmidt, een voorman van de geheelonthoudersbeweging die al vaak op naaistersvergaderingen had gesproken. Het echtpaar, dat al enige tijd in Sani’s ouderlijk huis had samengewoond, betrok een bovenwoning aan de De Clercqstraat. Enkele maanden na de bruiloft, in februari 1902, trok Sani zich wegens ziekte terug uit het hoofdbestuur van de Bond in de Kleedingindustrie en al het bondswerk. Voor haar begon een nieuw leven als onderwijzersvrouw. Nog éénmaal trad zij naar voren in de arbeidersbeweging, toen zij in het najaar van 1904 de hoofdstedelijke Sociaal-Democratische Vrouwen-Propagandaclub hielp oprichten. Zij werd daarvan de eerste secretaris naast Mathilde Wibaut-Berkenis van Berlekom als voorzitster. Binnen het jaar werd Sani al opgevolgd door Marie Mensing. Het eerste nummer van het clubblad De Proletarische Vrouw (1 november 1905) opende met een gedicht van haar onder het pseudoniem Zippora.

Tussen 1906 en 1909 raakte Sani Schmidt-Prijes, die zich aanvankelijk Prijes-Schmidt placht te noemen, meer en meer vervreemd van het socialisme. De socialistische voorman Franc van der Goes probeerde het echtpaar (ook Schmidt twijfelde, maar minder) op het rechte pad terug te brengen. Het was tevergeefs. Prijes-Schmidt geloofde niet meer in de klassenstrijd en was uitgekomen bij een soort pantheïstische filosofie. Haar gezin kwam nu op de eerste plaats. Tot 1908 woonde zij op diverse adressen in Amsterdam, daarna tot 1914 in Hilversum en, na weer twee jaar in de hoofdstad, sinds 1916 definitief in Bussum. Haar man bleef al die tijd lesgeven op Amsterdamse volksscholen.

Schrijfwerk

Prijes beperkte zich niet tot de taken van huisvrouw en moeder. Zij las veel en behaalde op latere leeftijd nog de MO-aktes staathuishoudkunde en wijsbegeerte. Bovendien bleef zij schrijven. In 1906 schreef zij enkele sociaal-realistische korte verhalen voor De Proletarische Vrouw. Daarna werd het drankbestrijdersblad De Blauwe Vaan haar voornaamste podium. Voor de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende dranken schreef zij in 1913 de brochure Plaatselijke keuze, een pleidooi om inwoners via gemeentelijke referenda het recht te geven om drankverkoop plaatselijk te beperken of verbieden. Haar literaire bijdragen aan De Blauwe Vaan liepen in de jaren twintig uit op een vaste ‘Rubriek voor de vrouwen’. Onder het pseudoniem Sani van Bussum werkte ze fragmenten hiervan om in haar eerste boek: De lamp van den meester (Zeist 1927). Het bevat scènes uit het schoolleven in een volksbuurt, gezien door het oog van een onderwijzersvrouw. Veel aandacht trok het boek niet. Haar tweede werk, Een bewogen vrijdag op de Breestraat (1930), werd wel positief ontvangen. Het is een novelle over een moeilijke bevalling in de Jodenbreestraat in de jaren 1870 (de tijd en plaats van haar eigen geboorte). Haar familieleden zijn erin herkenbaar. Drie jaar later verscheen haar iets zuiniger geprezen boek Het Joodsche bruidje. Een zedenschets uit onze dagen (Amsterdam 1933) over de vijftigjarige bruiloft van een kinderloos joods echtpaar, waarvoor weer een oom en tante model stonden. In de vele recensies wordt de schrijfster vergeleken met Ina Boudier Bakker, Carry van Bruggen en Louis Couperus. Postuum verscheen haar als mooi maar ouderwets beoordeelde autobiografisch getinte meisjesboek In de Gouden Klok (Alkmaar 1933).

Een in 1995 door naar nichtje geopenbaard privé-archiefje bleek (naast diverse bijzondere foto’s, zoals een bestuursfoto van Allen Eén uit ca. 1900) nog veel onuitgegeven gedichten en korte verhalen te bevatten, alsmede een omvangrijk filosofisch-literair werk Frigga en Loki, een samenspraak tussen twee goden uit de Noorse mythologie. Hieruit spreken haar pantheïstische ideeën, die overigens samengingen met toenemende liefde voor de joodse sfeer van haar jeugd.

Sani’s betrekkelijke literaire roem werd in haar laatste levensjaren overschaduwd door de dood in 1928 van haar 24-jarige dochter en door de slopende ziekte die haarzelf trof. Zij stierf enkele dagen na publikatie van Het Joodsche bruidje. Naar aanleiding van haar overlijden blikte De Proletarische Vrouw vol bewondering terug op haar jonge jaren: ‘In die dagen was een twee-en-twintig-jarig meisje dat op openbare vergaderingen sprak een wonderverschijnsel’. De in 1973 verschenen tweede druk van haar Bewogen vrijdag zorgde voor een kortstondige herontdekking van Sani van Bussum, van wie vrijwel niemand de ware identiteit nog bleek te kennen.

Naslagwerken

BWSA; JBW.

Archivalia

  • Uitgeverij Em. Querido, Amsterdam: Knipselarchief, collectie S. Prijes.
  • Joods Historisch Museum, Amsterdam: privé-archief Sani Schmidt-Preijes.

Publicaties

Behalve de genoemde: Een woord aan kleermakers en naaisters (Amsterdam 1900).

Literatuur

  • Annie Romein-Verschoor, Vrouwenspiegel. Een literair-sociologische studie over de Nederlandse romanschrijfster (Amsterdam 1935) 198.
  • Peter-Paul de Baar, ‘Sani Prijes van de Naaistersbond’, Jaarboek voor de Geschiedenis van Socialisme en Arbeidersbeweging (1980) 120-143.
  • Mirjam Elias, De Naaistersvereeniging Allen Eén (doctoraalscriptie Historisch Seminarium, Universiteit van Amsterdam 1983).
  • A.L. Sötemann, Querido van 1915 tot 1990. Een uitgeverij (Amsterdam 1990) 181.
  • Peter-Paul de Baar, ‘Het Amsterdam van Sani van Bussum. Van de Jodenbree naar Zuid’, Ons Amsterdam 47 (1995) 174-179.
  • Peter-Paul de Baar, ‘Archiefje Sani van Bussum gevonden’, Ons Amsterdam 47 (1995) 265.

Illustratie

Portret door onbekende fotograaf, ca. 1933 (Joods Historisch Museum, Amsterdam).

Auteur: Peter-Paul de Baar

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 836

laatst gewijzigd: 06/11/2017