Mensing, Maria Anna Catharina (1854-1933)

 
English | Nederlands

MENSING, Maria Anna Catharina (geb. Den Haag 15-4-1854 – gest. Ermelo 5-4-1933), socialiste en feministe. Dochter van Willem Johannes Mensing (1817-1863), boekhandelaar, en Johanna Imene Mensing (1815-1885). Marie Mensing bleef ongehuwd.

Marie Mensing groeide op als zesde en jongste kind – vier meisjes en twee jongens – in een streng calvinistisch gezin. Het broertje direct boven haar was als eenjarige overleden. Haar ouders waren neef en nicht en runden de bekende Haagse boekhandel De Vijf Vocalen. Marie had een passie voor tekenen en schilderen. Na haar middelbare school volgde ze een opleiding tot onderwijzeres.

In 1878 vestigde Marie Mensing zich in Haarlem, waar ze waarschijnlijk werkzaam was als hulponderwijzeres. In 1884 vertrok ze naar Kampen om de huishouding te doen voor haar alleenstaande nicht Line Liernur (1850-1918), hoofd van de meisjes-mulo aldaar. Bij hen woonde ook onderwijzeres Bora van Vloten, met wie Marie Toynbee-cursussen (maatschappelijk opbouwwerk) voor jonge meisjes verzorgde.

Een vrouwenhuishouden

In Kampen ontwikkelde Mensing zich tot vooraanstaand lid van zowel de vrouwenbeweging als de sociaal-democratie. Ze richtte in 1897 met Van Vloten en Cato Lubach de Kampense afdeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) op, werd afdelingsvoorzitster en zat vanaf 1896 namens de vereniging in de redactie van het feministische blad Evolutie. Toen een jaar later de samenwerking tussen het blad en de vereniging ophield, bleef Mensing voor Evolutie schrijven: niet alleen over vrouwenkiesrecht, maar ook over co-educatie, coöperatieve huishouding en seksuele bevrijding – onderwerpen die haar na aan het hart lagen. Haar positie binnen de VvVK bleef lastig en toen in 1901 een voorstel van haar afdeling Kampen om binnen één gemeente meer stromingen toe te staan verworpen werd, was haar rol als afdelingsvoorzitster uitgespeeld.

Vanaf 1898 was Mensing betrokken bij diverse vrouwenorganisaties: de Nationale Vrouwenraad, de Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming voor alleenstaande en ongehuwde moeders, de Nederlandsche Vrouwenbond tot Internationale Ontwapening en het Vrouwen Hogerhuis-Comité. Ook binnen de sociaal-democratie bleef ze actief. Ze was correspondente van het blad De Arbeid en richtte samen met huisgenote Bora van Vloten in 1900 een Kampense afdeling van zowel de Sigarenmakerbond als de SDAP op. Ondanks ‘een haar zeer vijandig gezinde massa arbeiders’ hield zij haar inspanningen voor de bond en de partij vijf jaar vol.

Het wonen in één huis met twee maatschappelijk betrokken, werkende vrouwen moet voor Mensing een grote stimulans zijn geweest, maar de huishoudelijke taken werden in de loop der jaren ook steeds meer een belasting. Ze moest ‘voor werkster en baker en alles tegelijk spelen’, schreef ze op 5 maart 1901 aan haar vriendin Jo van Gogh-Bonger. Toen nicht Liernur in 1904 met pensioen ging en dus voortaan thuis was, kwamen er spanningen. Marie wilde op zoek naar een andere betrekking en vertelde dat aan haar nicht, die vervolgens zo ziek werd dat ze elkaar op dokters advies enige tijd niet zagen. Tenslotte verzoenden ze zich en trof Liernur – tegen de zin van haar familie – een financiële regeling die Marie economisch onafhankelijk maakte (brief aan Jo van Gogh-Bonger, 11-5-1905).

Actief in Amsterdam

In 1905 verhuisde Marie Mensing naar Amsterdam. Ook hier werd ze actief in en rond de SDAP, en ze woonde in bij partijgenoten. Op uitnodiging van Carry Pothuis-Smit ging ze meewerken aan een blad voor arbeidersvrouwen en werd ze secretaris van de Amsterdamse Sociaal-Democratische Vrouwenclub, die bijdroeg in de bekostiging van haar huur. Een jaar later trad ze toe tot de redactie van De Proletarische Vrouw. Datzelfde jaar bezocht ze samen met Mathilde Wibaut het congres van de Duitse zusterpartij in Mannheim, waar ze onder de indruk raakte van Clara Zetkin. Zelf sprak Mensing op dat congres kritisch over de houding van de SDAP inzake het vrouwenkiesrecht en liet ze zich scherp uit over het streven van de partij om de arbeid van gehuwde vrouwen buitenshuis te beperken. In 1908 werd Mensing landelijk secretaris van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs (BSDVC).

Ook in Amsterdam lukte het Mensing niet om haar feminisme en socialisme met elkaar te verzoenen. Toen in 1909 binnen de sociaal-democratie een splitsing dreigde, stelde Mensing in De Proletarische Vrouw voor om de BSDVC los te maken van de SDAP, maar de redactie van het blad was het hier niet mee eens. Mensing sloot zich vervolgens aan bij de nieuwe Sociaal-Democratische Partij (SDP) en moest het blad en de bond verlaten, tot verdriet van beide partijen: ‘wij zien Marie Mensing met groot leedwezen vertrekken’, aldus De Proletarische Vrouw, en ‘als ik zeg er is geleden, zeg ik niet veel’, aldus Mensing zelf. Zij werd opgevolgd door Heleen Ankersmit. In 1909 verliet Mensing ook de Sociaal-Democratische Studieclub, waarvan zij vanaf 1906 secretaris was geweest.

In 1909 werd Marie Mensing de eerste landelijke secretaris van de SDP. Een paar weken later verhuisde zij uit de Van Eeghenlaan, waar zij had ingewoond bij Jo van Gogh-Bonger, naar de Laing’s Nekstraat. Tot december 1910 was zij behalve secretaris ook penningmeester van de jonge partij. In De Tribune het periodiek van de oppositie binnen de SDAP en vanaf 1909 van de SDP, verzorgde ze de vrouwenrubriek. Ze schreef niet alleen over de rol van vrouwen in de klassenstrijd en de strijd voor vrouwenkiesrecht, maar uitte ook kritiek op socialistische pleidooien voor beperking van vrouwenarbeid. Haar oude favorieten zoals de moederschapsverzekering en vooral de coöperatieve huishoudvoering werden door haar nieuwe partij als ‘feministische fraaiïgheid’ afgedaan. In 1910 nam Roosje Stel-Vos op verzoek van de Tribune-redactie de rubriek van haar over.

Ook uit haar andere partijfuncties nam Mensing rond 1910 ontslag, waarschijnlijk omdat zij – zo blijkt uit brieven aan Jo van Gogh – vaak ziek was (een nierkwaal). De Wibauts, met wie zij al die tijd contact hield, boden haar hun hulp aan, maar blijkbaar ging ze daar niet op in. In 1912 verhuisde Mensing naar Bloemendaal – of ze daar weer samenwoonde met haar nicht Liernur, is onduidelijk. Vast staat dat laatstgenoemde daar in 1918 overleed.

In de jaren 1917 tot 1920 schreef Mensing nog zeer strijdbare artikelen in De Voorbode, het blad van de in 1917 opgerichte Revolutionair Socialistische Vrouwenbond, en in het meer theoretische blad De Nieuwe Tijd. Voortdurend riep ze op tot klassenstrijd. Zij was inmiddels verhuisd naar Overveen, was lid van het afdelingsbestuur Haarlem van de Communistische Partij Holland, zoals de SDP inmiddels heette, en gaf cursussen voor partijleden.

Laatste jaren

In de loop van de jaren twintig werd het stil om Marie Mensing. Henriette Roland Holst, met wie Mensing veel heeft samengewerkt, vertelt over een treurige tocht langs verschillende rusthuizen in het Gooi (eerst Bussum, later Baarn), maar vermeldt niet meer dan dat Marie uiteindelijk in 1933 in de psychiatrische inrichting Veldwijk, bij Ermelo is overleden. Ze herinnert zich Marie Mensing als een vrouw van ‘buitengewone nauwgezetheid’, die overal tegenwerking van de klassevijand zag en zelfs een keertje dacht dat deze haar probeerde te vergiftigen.

Naslagwerken

Baanbreeksters; BWSA.

Publicaties

  • ‘Eisch eener vrouw van ‘t heden, ten opzichte van ‘t sexueele leven’, De Dageraad (1897-1898) 473-482, 627.
  • ‘Beschouwing’, De Nieuwe Tijd (1918) 367-375.
  • ‘Nood of bezieling’, De Nieuwe Tijd (1920) 513-519. 

Literatuur

  • Willem van Ravesteyn, De wording van het communisme (Amsterdam 1948) 103-111.
  • Henriette Roland Holst, Het vuur brandde voort (Amsterdam 1949) 174-176.
  • Brecht van den Muijzenberg-Willemse, ‘Marie Mensing’, in: Vrouwen voor Vrede en Opbouw 9 (1956) nr. 7, 15-16.
  • Jacques de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965) 105-109.
  • Bauke Marinus, ‘Verenigen hier is "fransch"‘. Organisatie van sigarenmakers in Kampen (1894-1913) (Kampen 1982) 67-84.
  • Fia Dieteren, ‘Marie Mensing: men is niet ongestraft feminist’, Rooie Vrouw (september 1988) 12-15.
  • Henny Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP) (Amsterdam 1989).
  • Gert Hofsink en Natalie Overkamp, ‘Maria Anna Catharina Mensing’, in: Idem, Grafstenen krijgen een gezicht (Ermelo 2011) 58-69.

Illustratie

Marie Mensing. Salm & Co. Kampen, ongedateerd (International Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam).

 

Auteur: Fia Dieteren

laatst gewijzigd: 19/07/2017