Stellwag, Helena Wilhelmina Frederika (1902-1996)

 
English | Nederlands

STELLWAG, Helena Wilhelmina Frederika (geb. Groede 26-9-1902 – gest. Baarn 16-3-1996), lerares klassieke talen, hoogleraar pedagogiek. Dochter van Johann Albinn Friedrich August Stellwag (1876-1949), luthers predikant, en Helena Wilhelmina de Hoest (1876-1963).  Willy Stellwag woonde vanaf 1929 samen met Anna Johanna Erdman Schmidt (1897-1985), lerares Engels, pedagoge.

Willy Stellwag was de oudste van drie kinderen in een luthers predikantengezin. Tot Willy’s vijfde woonde het gezin in Groede, een dorpje in Zeeuws-Vlaanderen, daarna korte tijd in Harlingen en vanaf haar zevende jaar in Utrecht, waar Willy vanaf 1916 op het Christelijk Gymnasium zat. In de hoogste klassen van het gymnasium, zo stelt Stellwag in haar autobiografie uit 1993, voltrok zich bij haar een grote psychische verandering: ‘Ik nam de allures aan en voelde mij als een intellectuele vrouw’. Omdat ze gegrepen werd door de Griekse dichters, besloot ze oude talen te gaan studeren.

In haar studietijd (1921-1926) moest Willy zuinig doen: ze vulde haar studiebeurs aan met het geven van bijlessen. Ze was een serieuze studente. Een paar jaar was ze lid van de Utrechtse Vrouwelijke Studenten Vereniging, maar actief was ze vooral in de Nederlandse Christelijke Studentenvereniging (NCSV), waar vorming centraal stond. Ze werd er lid van het hoofdbestuur en kwam in de redactie van de NCSV-periodiek Eltheto. Na een cum laude afgelegd doctoraalexamen werd Willy lerares klassieke talen op het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden.

Lerares in Leeuwarden

Op het gymnasium van Leeuwarden leerde Stellwag in 1927 de vrouw kennen die haar levensgezellin zou worden: Annie Erdman Schmidt, lerares Engels. Drie jaar na hun kennismaking gingen ze samenwonen. Samen hadden zij vele hobby’s: ze deden aan sport, fietsten en bridge, gingen naar toneelvoorstellingen en concerten. Ze maakten vrienden en werden lid van clubs zoals van de Femmes Savantes, een plaatselijke vereniging van academische vrouwen. Stellwag werd later ook lid van de Soroptimisten. ’s Zomers maakten ze wandeltochten in het buitenland en toerden ze eenmaal ook met een Skoda door Frankrijk. Jarenlang vormden ze – in Stellwags woorden – een ‘relatie à trois’ met een jonge collega die Frans gaf, een vriendschap die standhield nadat Stellwag een huwelijksaanzoek van hem had afgewezen. In 1933 promoveerde ze op een becommentarieerde vertaling van  het eerste boek der Diatriben van de stoïcijnse wijsgeer Epictetus.

Dankzij haar doctorstitel werd Stellwag in 1933 conrector. Vanaf 1941 hield ze een dagboek bij, een activiteit die ze (met uitzondering van de periode 1953-1968) tot 1993 volhield. Nauwkeurig valt daarin te volgen hoe zij in het schooljaar 1942-43 alles op alles zette om de plotseling overleden rector van haar school op te volgen. Ze ging langs bij de burgemeester, bezocht alle curatoren van het gymnasium en eindigde als eerste op de voordracht. Ze zou de eerste rectrix van Nederland worden, maar werd gepasseerd. Het departement argumenteerde dat er in de wet alleen sprake is van een ‘leraar’ die voor het rectoraat in aanmerking komt en ‘de titel draagt van rector’. Op grond daarvan werd de tweede op de voordracht benoemd, een man die bovendien bekendstond om zijn sympathie voor het fascisme.

Vanaf de dag waarop de nieuwe rector zijn entree maakte, werd ‘de situatie ondragelijk’, aldus Stellwag in haar dagboek. Ze vroeg een jaar onbetaald verlof aan om in Utrecht bij professor M.J. Langeveld psychologie en pedagogiek te studeren. Vlak na de bevrijding en nog voor de formele afronding van haar nieuwe studie werd ze gepolst over een buitengewoon hoogleraarschap aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, als opvolger van Ph. A. Kohnstamm. Ze had nog geen enkele pedagogische publicatie op haar naam, maar werd in 1946 toch benoemd. 

Hoogleraar in Amsterdam

Als hoogleraar trad ze ‘in een mannelijke wereld’, aldus Stellwag in 1947 in een lezing voor de Amsterdamse Vrouwelijke Studentenvereniging. Ze stelde dat vrouwen nog niet ‘die levenshouding en zelfwaardering gevonden hebben, die de voedingsbodem levert voor elk succesvol slagen’. Alleen als vrouwen accepteren dat ze in de praktijk anders wetenschap bedrijven en anders leiding geven dan mannen, zullen ze dit probleem kunnen overwinnen, vond Stellwag.

In 1949 publiceerde Stellwag haar eerste pedagogische monografie: De waarde der klassieke vorming. Twee jaar later richtte ze het Pedagogisch-Didactisch Instituut (PDI) op. Echt naam maakte ze met Begane wegen en onbetreden paden, Paedagogisch-didaktische beschouwingen voor jonge leraren (1952), dat zeven drukken zou beleven. Intussen was Stellwag, die inmiddels met haar vriendin in Baarn was gaan wonen, door koningin Juliana om advies gevraagd over de schoolkeuze van prinses Beatrix, vermoedelijk omdat ook zij Greet Hofmans raadpleegde over esoterische aangelegenheden, in haar geval de omgang met, in Stellwags woorden, ‘de geestelijke, onmateriële wereld’. Op verzoek van de koningin organiseerde Stellwag een speciaal klasje, waar prinses Beatrix samen met een klein aantal geselecteerde leerlingen middelbaar onderwijs zou krijgen. In dezelfde tijd raakte Stellwag als deelneemster van de ‘Baarnse kring’ rond Hofmans betrokken bij de zogenaamde Oude Loo-conferenties. Stellwags ambitie om het ‘schooltje’, zoals zij het noemde, ook op de langere termijn te blijven leiden, liep stuk op de invloed van kringen rond het Baarnsch Lyceum, dat het initiatief wilde uitbouwen tot een dependance, het latere Incrementum. Of Stellwags contacten met Hofmans bij die uitkomst een rol hebben gespeeld, is niet duidelijk. Dankzij de koningin kreeg ze nog een adviserende rol op de dependance, maar dat duurde slechts tot september 1952. Toen kwam er ook een einde aan haar contact met de koningin.

Stellwag heeft de eerste jaren veel energie moeten steken in de uitbouw van de pedagogiek als zelfstandige discipline.  Pas nadat haar functie in 1954 werd omgezet in een structurele leerstoel, telde ze ook echt mee en kon ze het PDI gaan uitbouwen met nieuwe medewerkers, onder wie als adjunct-directrice partner Erdman Schmidt, die inmiddels een doctoraal pedagogiek bezat.

Aanvankelijk richtte Stellwag zich op empirisch onderzoek naar facetten van de schoolpraktijk in het voortgezet onderwijs, maar in de loop van de jaren zestig begon ze zich ook bezig te houden met theoretisch-pedagogische en empirisch-methodologische vraagstukken. Zo startte ze een project rond definities van pedagogische grondbegrippen. Dit zag ze als haar bijdrage aan de verwetenschappelijking van de pedagogiek. Ze had echter moeite met de studentenacties van die tijd, en mede daarom ging ze op 1 februari 1972 teleurgesteld en ‘zonder enig ceremonieel’ met emeritaat.

Emeritaat

In de eerste jaren van haar emeritaat nam de zorg voor Annie Erdman Schmidt, die aan Alzheimer leed, Stellwag steeds meer in beslag. Pas na Schmidts dood in 1985 kreeg ze weer ruimte voor wetenschappelijk werk: ze rondde de al voor 1940 begonnen vertaling van het werk van de Romeinse keizer-filosoof Marcus Aurelius af. Het resultaat gaf ze in eigen beheer uit. Vervolgens schreef ze haar autobiografie, die ze in 1993 in eigen beheer uitgaf. ‘Een prachtige afsluiting’, schreef ze in haar dagboek. Op 26 maart 1996 stierf H.W.F. Stellwag thuis in Baarn, in de leeftijd van 93 jaar.

Naslagwerken

Levensberichten.

Archivalia

De dagboeken van H.W.F. Stellwag over de jaren 1941-1994 bevinden zich in particulier bezit van de erven Stellwag.

Publicaties

  • Epictetus. Het eerste boek der Diatriben (Amsterdam 1933).
  • ‘De vrouw en de universitaire studie’, in: H.W.F. Stellwag, Ph. Kohnstamm, J. Langeveld red.,  Meisjesstudie. Losse Paedagogische Studiën (Groningen/Batavia 1948) 7-24.
  • De waarde der klassieke vorming. Een cultuur-historische, paedagogisch-psychologische en didaktische inleiding (Groningen/Batavia 1949).
  • Begane wegen en onbetreden paden. Paedagogisch-didaktische beschouwingen voor jonge leraren (Groningen/Djakarta 1952).
  • Selectie en selectiemethoden. Een inleidende studie in het aansluitingsvraagstuk L.O. en V.H.M.O. (Groningen, Djakarta 1955).
  • ‘Situatie’ en ‘Relatie’. Pedagogische grondbegrippen, deel 1 (Groningen 1970).
  • ‘Gezag’ en ‘Autoriteit’. Pedagogische grondbegrippen, deel 2 Groningen 1973).
  • Van Marcus Antoninus keizer ‘Voor zichzelf’ (Baarn 1992).
  • Het verhaal van mijn leven (Baarn 1993) [met een door Heijting samengestelde bibliografie van de publicaties van Stellwag].

Literatuur

  • Frieda Heyting, ‘H.W.F. Stellwag. Het ideaal der zuivere wetenschap’, in: M. van Essen en M. Lunenberg red., Vrouwelijke pedagogen in Nederland  (Nijkerk 1991) 132-144.
  • Mineke  Bosch, Het geslacht van de wetenschap. Vrouwen en hoger onderwijs in Nederland 1878-1948 (Amsterdam  1994).
  • E. Mulder, C. Hetterschijt, I. Sinkeldam, 75 jaar pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam  (Amsterdam 1994).
  • F. Heyting, ‘H.W.F. Stellwag. De strijd om de opvoedkunde als universitaire discipline’, in:  J. Goudsblom, P. de Rooy en J. Wieten red.,  In de zevende. De eerste lichting hoogleraren aan de politiek-sociale faculteit in Amsterdam (Amsterdam 1998) 129-138.
  • K. Wijma, Stat schola nobilissima, van Latijnse school tot Stedelijk

    Gymnasium (z.p. (Leeuwarden) 1999).
  • Cees Fasseur, Juliana en Bernhard. Het verhaal van een huwelijk. De jaren 1936-1956 (Amsterdam 2008).
  • M. van Essen en J.D. Imelman, ‘Vanuit de didactiek naar de opvoedingswetenschap. Helena Wilhelmina Frederika Stellwag (1902-1996)’, in: V. Busato, M. van Essen en W. Koops red., Pioniers van de gedragswetenschappen, deel 3: Vier grondleggers van de pedagogiek.  (Amsterdam 2015) 167-239.

Illustratie

Foto door onbekende fotograaf, ongedateerd (privé-collectie).

Auteur: Mineke van Essen

laatst gewijzigd: 09/02/2016