Wery, Elisabeth (1920-2006)

 
English | Nederlands

WERY, Elisabeth, ook bekend als Betje Werij en Bella Tuerlings (geb. Rotterdam 26-8-1920 – gest. Ede 16-10-2006), Joden-verraadster in de Tweede Wereldoorlog. Dochter van Ferdinand Werij (1894-1969), muzikant en handelsreiziger, en Roosje Boers (1896-1997). Elisabeth Werij trouwde (1) op 17-9-1941 in Rotterdam met Franciscus Antonius Cornelis Tuerlings (1919-1943), vertegenwoordiger; (2) op 14-11-1959 in Oegstgeest met Mijndert Vonk (1919-2009), huwelijksmakelaar. Uit huwelijk (2) werden 1 dochter en 1 zoon geboren.

Elisabeth (Betje) Wery werd geboren als oudste in een gezin met twee kinderen van een half-Joodse vader en een Joodse moeder. Ze groeide op in Rotterdam, waar ze twee jaar op de huishoudschool en drie jaar op de mulo zat. In 1939 volgde ze enkele maanden een opleiding tot verpleegster, maar ze bleek ongeschikt. In december van hetzelfde jaar kreeg ze twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf wegens winkeldiefstal. Kort daarop werd ze verkoopster bij een Bata-schoenenwinkel in Rotterdam.

In januari 1940 ontmoette Betje Wery Frans Tuerlings, een vertegenwoordiger in handschoenen, met wie ze op 17 september 1941 trouwde en in Vught ging wonen. In de zomer van dat jaar was ze rooms-katholiek geworden, zodat ze niet ‘gemengd gehuwd’ zou zijn. Desondanks werd Wery in augustus 1942 vanwege het niet dragen van een ster door de Duitsers opgepakt en naar kamp Amersfoort gestuurd. Al na een dag kwam ze vrij, door bemiddeling van een invloedrijke Duitse relatie van haar echtgenoot. Ook wist Wery een Sperre – een tijdelijke vrijstelling van deportatie – te bemachtigen en in mei 1943 werd ze officieel tot ‘half-Joodse’ verklaard. Ze hoefde geen ster meer te dragen en had voorlopig van de Duitsers niets te duchten.

Intussen stond Wery’s huwelijk onder druk. Haar man pleegde overspel, dronk te veel en smeet met geld – hij verrijkte zich door deviezensmokkel en zwarte handel in diamanten en effecten. Eind 1943 kwam hij om bij een auto-ongeluk; belastend materiaal over zijn duistere praktijken leidde naar Wery. Zij liet zich daarop door het Devisenschutzkommando (DSK), een instantie die jacht maakte op zwarthandelaren en Joods vermogen, overhalen om spionne te worden: ze werd Vertrauens-Frau (V-Frau) voor het DSK.

V-Frau 196

Begin 1944 verhuisde Betje Wery naar Amsterdam. Daar huurde ze een appartement in de Rubensstraat 26, vlakbij het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD). Voor het DSK infiltreerde ze, vertrouwend op haar ‘onweerstaanbare schoonheid’ (Middelburg, Jeanne de leugenaarster, 169), in het netwerk van wijlen haar echtgenoot en andere kapitaalkrachtige kringen. Zo organiseerde ze roulette-avondjes in haar woning en verried ze de ene na de andere zwarthandelaar aan haar DSK-collega, de beruchte Jodenjager Dries Riphagen. Als V-Frau 196 ontving ze daarvoor uiterst lucratieve vergoedingen. In mei 1944 kwam Wery via de zakenman Cornelis Arie (Charly) Hartog in contact met verzetsman Gerhard Joseph Badrian, die beiden nogal gecharmeerd waren van ‘Bella’. Badrian maakte er tegenover haar geen geheim van dat hij in het verzet zat en over valse persoonsbewijzen en wapens beschikte – hij was een van de kopstukken van de Persoonsbewijzen Centrale (PBC).

Op 30 juni 1944 lokte Betje Wery Badrian, diens vriendin en twee collega’s onder valse voorwendselen naar haar woning, waar de SD hen oppakte: Badrian werd ter plekke doodgeschoten en Charly Hartog werd gearresteerd. In het kielzog van deze actie wist de SD de gehele PBC op te rollen. Wery incasseerde een beloning van duizend gulden en werd door het verzet vogelvrij verklaard. Ze dook enkele weken onder bij de SD in de Paulus Potterstraat en in een suite in de Beethovenstraat. Daar kreeg ze regelmatig bezoek van SD-chef Willy Lages, naar verluidt een van Wery’s vele mannelijke bewonderaars.

Op advies van Lages vertrok Betje Wery eind augustus 1944 naar België. Ze vestigde zich als Elisabeth Stips in Antwerpen, waar ze veel met Duitse militairen omging en opnieuw voor het DSK werkte. Eind oktober 1944 verbleef ze in het inmiddels bevrijde Brussel en had ze een verhouding met Oreste Pinto (1889-1961), hoofd van de Nederlandse contraspionagedienst in die stad. Hem palmde ze zo in dat hij haar eind 1944 een bewijs van ‘politieke betrouwbaarheid’ verschafte, onder meer omdat dubbelspion Chris Lindemans alias King Kong dankzij haar zou zijn opgepakt. Toch werd Wery op 24 december 1944 aangehouden en geïnterneerd in een klooster in Valkenburg. Hiervandaan belandde ze in augustus 1945 in het Amsterdamse Huis van Bewaring I, waar ze een cel deelde met Ans van Dijk en Jeanne Valkenburg.

Ede

Het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam eiste in 1948 de doodstraf tegen Betje Wery. De procureur-fiscaal noemde haar een extreem onbetrouwbare en ‘door en door slechte’ vrouw, (Middelburg, Riphagen, 65). Niettemin ontliep ze de doodstraf en werd ze op 15 mei 1948 tot levenslang veroordeeld. Hoewel dat vonnis in maart 1949 door de Bijzondere Raad van Cassatie werd bekrachtigd, kwam Wery al na enkele jaren op vrije voeten.

Op 14 november 1959 trouwde Betje Wery met de wegens moord veroordeelde voormalige Groningse SD’er Mijndert Vonk, die ze in de gevangenis had ontmoet en met wie ze twee kinderen kreeg (in 1960 en 1962). Samen met haar echtgenoot begon ze een huwelijksbemiddelingsbureau: in Schiedam en later in Ede, waar het gezin vanaf 1967 woonde. Eind 1979 bracht haar bedrijf  ongehuwde dames aan de man in het televisieprogramma TV-privé van Henk van der Meijden. Wery's oorlogsverleden kwam op straat te liggen en zorgde voor ophef in de media. Hierna leefde ze in de anonimiteit. Betje Vonk-Wery overleed op 16 oktober 2006 in haar woonplaats Ede, 86 jaar oud.

Reputatie

Betje Wery is de geschiedenis ingegaan als ‘de verraadster van de PBC’ (De Jong, e.a.). Tijdens haar proces beweerde Wery onder dwang van Riphagen gehandeld te hebben, maar die verdediging sneed voor de rechtbank geen hout: de advocaat-fiscaal noemde haar een harteloze verraadster. Misdaadjournalist Bart Middelburg voerde in 1989 gesprekken met Wery en noemt haar ‘niet onvriendelijk’, ‘zeer op haar hoede’ en ‘narcistisch’: als aantrekkelijke V-Frau had het haar, zo vertelde Wery zelf, geen moeite gekost om zwarthandelaren het geheim te ontfutselen waar hun geld, effecten en sieraden verstopt zaten (Middelburg, Jeanne de Leugenaarster, 178-179).

Archivalia

Nationaal Archief, Den Haag: Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR BRvC 595/48 inv. nr. 76389).

Literatuur

  • Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 6, Juli ’42-mei ’43: eerste helft (Den Haag 1975) 313; deel 7, Juli ’42-mei ’43: tweede helft (Den Haag 1976) 768.
  • Gerard Aalders, Roof. De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag 1999).
  • Bart Middelburg, Jeanne de leugenaarster. Adriana Valkenburg: hoerenmadam, verraadster, femme fatale (Amsterdam 2009).
  • Bart Middelburg en René ter Steege, Riphagen. De Amsterdamse onderwereld 1940-1945 (Amsterdam 2010).
  • Sytze van der Zee, Vogelvrij. De jacht op de Joodse onderduiker (Apeldoorn 2010).
  • René van Heijningen, ‘Gerhard Badrian. Duitse Jood acteert gevangenen vrij’, in: Jaap Cohen en Hinke Piersma red., Moedige mensen. Helden in oorlogstijd (Amsterdam 2014) 101-104.

Illustratie

[in bestelling]

Auteur: Marie-Cécile van Hintum

laatst gewijzigd: 13/07/2016