Wind, Antoinette Hendrika (1897-1971)

 
English | Nederlands

WIND, Antoinette Hendrika, vooral bekend onder het pseudoniem A.H. Nijhoff (geb. Den Haag 9-6-1897 – gest. Den Haag 1971), schrijfster. Dochter van Hendrik Jeltinus Wind (?-1898), ingenieur, en Maria de Bruijne. Netty Wind (1) trouwde op 16-5-1916 in Den Haag met Martinus Nijhoff (1894-1953), dichter; (2) had vanaf 1930 een relatie met Marjorie Jewell (Marlow) Moss (1890-1958), schilderes. Uit huwelijk (1), dat op 21-3-1950 werd ontbonden, werd 1 zoon geboren.

Netty Wind, geboren in Den Haag, heeft haar vader nooit gekend: hij kwam om bij een scheepsramp toen ze één jaar oud was. Haar moeder trok met haar twee dochters – Netty had een oudere zus – in bij familie in Groningen, Batavia (1902-?) en De Bilt. Later keerden ze terug naar Den Haag, de geboorteplaats van Netty. Ze zat op het Gymnasium Haganum, waar ze zich verveelde en veel spijbelde. Ze vond haar leraren ‘bekrompen’. In die tijd schreef ze gedichten voor Rostra, het blad van de landelijke gymnasiastenbond.

Huwelijk

In 1915 raakte Netty Wind zwanger van Martinus Nijhoff, de jongen die een paar klassen hoger zat en met wie ze verkering had. Onder druk van de familie Nijhoff trouwden ze. Na de geboorte van hun zoon Stephan (‘Faan’, 1916-1986) verhuisden Netty en Martinus Nijhoff naar het Gooi, waar veel schrijvers en kunstenaars woonden. Na vier jaar ontvluchtte ze dit leven van drinken en dansen. Met haar zoontje vestigde Netty zich in 1920 in Parijs en begon daar aan een roman die ze nooit zou voltooien: Afstand.

Al na een paar maanden keerde Netty Nijhoff met haar zoon terug bij haar echtgenoot. In 1923 verhuisde het gezin naar Den Haag en na een jaar van steeds hoger oplopende ruzies begonnen zij een gezamenlijke tocht door Italië. Martinus Nijhoff keerde na drie maanden huiswaarts, Netty Nijhoff en haar zoon zouden ruim vijf jaar in Italië blijven. Met de voormalige filmactrice Maria Tesi begon ze een pension in Settignano, een dorpje vlakbij Florence. Het was een tijd van hard werken – ze had bijvoorbeeld nooit leren koken – en geld voor personeel was er niet. Van schrijven kwam niet veel.

In 1929 ging Netty Nijhoff in Parijs op zoek naar een school voor haar zoon. Pas toen zij hier kennismaakte met de Engelse kunstenares Marlow Moss, vond ze de inspiratie en rust om een roman te schrijven. Twee meisjes en ik verscheen in 1930 in afleveringen in De Gids, het toonaangevende blad waarvan haar man redacteur was, en een jaar later in boekvorm. Met opzet koos zij de neutrale schrijversnaam ‘A.H. Nijhoff’ om niet voor een van de vele damesschrijfsters te worden versleten. De reacties op het boek waren uiteenlopend. Christelijke critici reageerden verontwaardigd op het amorele karakter van de personages, de vrije seksualiteit en de suggestie van abortus en homoseksualiteit. Maar Jan Campert, Jeanne van Schaik-Willing en Jan Slauerhoff haalden A.H. Nijhoff juist als een nieuw en volwassen talent binnen. Ze vonden haar boek getuigen van ‘doordringende intelligentie’ en ‘cosmopolitische allure’. De roman bevat autobiografische elementen: de vlucht uit het huwelijk en de beschrijvingen van de ruige Engelse kuststreek bij Land’s End, waar Netty Nijhoff met Marlow Moss veelvuldig verbleef.

Was Netty Nijhoff altijd al een forse, vrij mannelijke verschijning, aan de zijde van de kleine ‘miss’ Moss, die een volkomen androgyn uiterlijk had, werd ze onmiskenbaar de masculiene partner van een ‘damesstel’. Samen stortten zij zich in het roerige damesnachtleven van Parijs. Netty Nijhoff arrangeerde een kennismaking tussen Marlow en de schilder Piet Mondriaan, die zij nog uit haar Gooise tijd kende. Zij bevonden zich in een internationale kring van beeldend kunstenaars rondom het tijdschrift Abstraction Création, met onder anderen Jean Gorin, Hans Arp, Constantin Brancusi en Theo van Doesburg. Netty Nijhoff maakte zich ondergeschikt aan het kunstenaarschap van Marlow Moss en schreef in deze tijd hoegenaamd niet. Haar zoon Faan bracht ze in de leer bij de fotograaf Man Ray – als Stephen Storm zou hij een bekend fotograaf worden.

Een korte periode woonde Netty Nijhoff met Marlow Moss in een soort kasteeltje op het Normandische platteland. Ze maakten er hun eigen meubelen, en Netty was ook weer gaan schrijven. In april 1940 vluchtten zij vanwege de oorlogsdreiging naar Nederland. Marlow kon nog net per boot vanuit Scheveningen naar Engeland vertrekken; Netty Nijhoff bracht de bezettingsjaren eerst door in Zeeland en later bij haar zoon in Breda. Met haar man, die in Utrecht woonde, onderhield zij schriftelijk contact. In 1942 – net voor de instelling van de Kultuurkamer – bundelde ze haar nieuwste verhalen in Medereizigers, later herdrukt als Het veilige hotel. Zij droeg de bundel op aan haar zoon.

Pendelend bestaan

Na de Bevrijding schreef Netty Nijhoff artikelen voor Vrij Nederland. Ook werd zij gevraagd voor een vrouwenblad van uitgeverij De Bezige Bij. Het liefst wilde zij zich echter terugtrekken in Zeeland, in Huize Antoinette te Biggekerke, dat Martinus Nijhoff had laten bouwen om er te kunnen werken. Deze tweestrijd tussen het willen en om allerlei redenen niet kunnen schrijven, zou de rest van Netty Nijhoffs leven blijven bepalen, al was het maar omdat ze een pendelend bestaan leidde: ze woonde afwisselend in de Haagse Kleine Kazernestraat, waar ook Martinus Nijhoff woonde met zijn nieuwe liefde, de actrice Georgette Hagedoorn, en in Cornwall, waar Marlow haar atelier had.

In 1950 verscheen haar monumentale oorlogsroman De vier doden (later herdrukt als De brief). Evenals in haar debuutroman schetst ze een scherpe tegenstelling tussen de vrije (kunstenaars)geest en het burgermansbestaan. Wederom reageerden de critici verontwaardigd: 'een bizarre angst voor alles wat zogezegd naar conventie ruikt', ‘vrijheid van iedere zedelijke norm', ‘verzameling van weerzinwekkende onnatuur’. Van Schaik-Willing noemde het een ‘als roman verkleed betoog’. In hetzelfde jaar liet haar man haar weten officieel te willen scheiden om te kunnen trouwen met Hagedoorn. De scheiding trof haar diep omdat het een breuk was met hun jaren van ‘kameraadschap’, aldus hun zoon (Van der Plas).

Toen Martinus Nijhoff eind januari 1953 onverwacht stierf, erfde Netty de villa ‘Huize Antoinette’ in Biggekerke, waar ze ging wonen. Op advies van de uitgever Bert Bakker schreef ze er de roman Venus in ballingschap, die in 1954 eerst als feuilleton in zijn literair tijdschrift Maatstaf verscheen. Volgens Anna Blaman ging het boek ‘ten onder aan een oer-Hollandse moralistische ernst’, ondanks de prachtige compositie, de leuke vondsten (de Venus van Botticelli verschijnt in een dorpje aan de Nederlandse kust) en de spitse dialogen.

Vier jaar later (1958) overleed Moss. Kort tevoren had Netty Nijhoff nog de inleiding geschreven voor een overzichtstentoonstelling van haar werk in het Stedelijk Museum in Amsterdam. In hetzelfde jaar overleed ook haar moeder op 83-jarige leeftijd. In 1959 verhuisde ze naar een appartement in Athene, waar ze ooit met Moss was geweest, en werkte aan een boek over Griekenland. Na de militaire staatsgreep in 1967 keerde ze terug naar Biggekerke. Omdat haar lichamelijke toestand slechter werd, werd ze vanaf 1969 verzorgd door haar zus Gerda. Twee jaar later overleed ze. Netty Nijhoff is begraven in Biggekerke, aan de voet van de duinen. Haar zoon heeft een kunstwerk van Marlow Moss op haar graf laten plaatsen.

Reputatie

A.H. Nijhoffs debuutroman Twee meisjes en ik is het enige werk – naast een enkel verhaal in Medereizigers – dat bestand is gebleken tegen de tand des tijds. Gedurende haar leven was zij een schrijfster met enige bekendheid in literaire kring. Deels had dit te maken met het feit dat ze de vrouw was van een van de bekendste dichters van Nederland, deels kwam dit ook door het sterke levensgevoel dat ze uitdroeg in haar werk. De combinatie van haar opmerkelijke levensstijl en haar oeuvre, dat zowel romantisch als polemiserend van toon is, maakt van A.H. Nijhoff een nog altijd tot de verbeelding sprekende figuur.

 

Naslagwerken

Van Bork/Verkruijsse; BWN; Ter Laan; Levensberichten. 

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: Collectie-A.H. Wind.

Publicaties

Behalve de in de tekst genoemde publicaties: Geboorte (Amsterdam 1945); De dagen spreken (Den Haag 1946).

Literatuur

  • Henk de By, Het huis te Valkenisse (1967) [tv-documentaire van de VARA].
  • Michel van der Plas, ‘Faan Nijhoff’, in: Idem, Vader en moeder. Jeugdherinneringen... (Baarn 1987) 141-158.
  • Marja Pruis, De lieflijke hel van het Hollandse binnenhuisje. Leven en werk van A.H. Nijhoff (Amsterdam 1994).
  • Martinus Nijhoff, Brieven aan mijn vrouw, Andreas Oosthoek ed. (Amsterdam 1996).
  • Marja Pruis, ‘Een schok van herkenning. De vriendschap van A.H. Nijhoff en Marlow Moss’, Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 18 (Amsterdam 1998) 12-34.
  • Marja Pruis, De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk (Amsterdam 1999).

Illustratie

Netty Wind, door onbekende fotograaf, ongedateerd (Literatuurmuseum, Den Haag).

Auteur: Marja Pruis

 

 

laatst gewijzigd: 11/09/2017