Franssen, Johanna Frederika (1909-1995)

 
English | Nederlands

FRANSSEN, Johanna Frederika (geb. Rotterdam 3-5-1909 – gest. Bilthoven 24-12-1995), politica en lerares. Dochter van Cornelis Johannes Franssen (1884-1959), docent, en Geertruida Gezina Smith (ca. 1881-1964). Johanna Franssen trouwde in 1945 in Rotterdam met Arie Jan Schouwenaar (1912-1962), luitenant-ter-zee en politicus. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Johanna (Jo) Franssen groeide op in een remonstrants onderwijzersgezin. Ze bezocht het openbare Gymnasium Haganum en studeerde daarna klassieke letteren in Leiden, waar zij in januari 1931 haar kandidaatsexamen deed. In haar studietijd raakte ze bevriend met studiegenote prinses Juliana. Franssen stond vanaf 1930 voor de klas, aanvankelijk aan het lyceum in Den Haag en later ook aan het Meisjeslyceum en het Gymnasium Erasmianum in Rotterdam. In de oorlog woonde ze in Rotterdam, waar zij successievelijk tien onderduikers had. Na de oorlog trouwde ze met Arie Jan Schouwenaar, die in de jaren vijftig marinewoordvoerder en Tweede Kamerlid voor de PvdA zou worden. Ze kregen drie kinderen: Koos (1947), Jan (1950) en Tietoe (1956).

Van 1946 tot 1949 zat Schouwenaar-Franssen, zoals zij zich na haar huwelijk noemde, namens de Partij van de Vrijheid (in 1948 gefuseerd tot de VVD) in de gemeenteraad van Rotterdam. Hiernaast was ze vanaf september 1947 voorzitter van de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO). Franssen benadrukte de maatschappelijke verantwoordelijkheid van hoogopgeleide vrouwen: ‘Naast het trachten een goed mens en een plichtsgetrouw werker te zijn heeft de Academisch gevormde vrouw ook de plicht een goed medeburger te zijn’ (notulen ALV 31-1-1948).

Na het einde van haar VVAO-voorzitterschap in 1953 werd Franssen benoemd tot vicevoorzitter van de overkoepelende International Federation of University Women (IFUW). Daarnaast was ze als docent verbonden aan een school voor bijzonder onderwijs in Bilthoven, waar het gezin zich begin jaren vijftig had gevestigd. In 1956 verruilde Franssen haar functie bij de IFUW voor het voorzitterschap van het Nederlandse Vrouwen Comité (NVC): een overlegorgaan van vrouwenorganisaties dat invloed probeerde uit te oefenen op politieke besluitvorming. Via het NVC had Franssen regelmatig contact met minister Marga Klompé, die zij nog kende van haar werk voor de VVAO. In hetzelfde jaar dat Franssen aantrad als NVC-voorzitter stelde zij zich namens de VVD verkiesbaar voor de Eerste Kamer. Aanvankelijk combineerde ze het Kamerlidmaatschap en haar leraarschap met het NVC-voorzitterschap, maar deze laatste functie moest zij in 1959 neerleggen.

In 1961 werd Franssen ook lid van het Europees Parlement, waar ze als lid van de Sociale Commissie een rapport uitbracht over de gelijke beloning van man en vrouw. Eind 1962 overleed onverwacht haar echtgenoot. Ruim een half jaar later, op 24 juli 1963, nam ze als minister van Maatschappelijk Werk zitting in het kabinet Marijnen. Daarmee was ze de opvolgster van Klompé, de tweede vrouwelijke minister in de Nederlandse geschiedenis en de eerste vrouwelijke VVD-minister. In die functie benoemde Franssen een commissie voor bijstand aan buitenlandse werknemers en diende ze een wetsvoorstel in voor de Woonwagenwet. Tijdens haar ministerschap werd Franssen gedecoreerd als grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau.

Het kabinet Marijnen zat nog geen twee jaar, waardoor er reeds in augustus 1965 een einde kwam aan Franssens ministerschap. Hierop keerde ze terug naar de lokale poltiek en het parlement: van 1966 tot 1970 zat ze in de gemeenteraad van De Bilt en van 1966 tot 1971 in de Eerste Kamer. Bovendien was ze lid van het hoofdbestuur van de VVD. In die laatste functie stemde ze tegen de benoeming van Haya van Someren-Downer tot eerste vrouwelijke partijvoorzitter. Het was volgens sommigen een illustratie van de toenmalige verdeeldheid binnen de vrouwenorganisatie van de VVD, die de vertegenwoordiging van vrouwelijke partijleden in diverse gremia probeerde te bevorderen. Haar politieke activiteiten combineerde ze als vanouds met het onderwijs en met de zorg voor haar gezin. Vanaf 1971 hield ze zich vooral bezig met haar oude vak: klassieke talen. Jo Schouwenaar-Franssen overleed op 24 december 1995 in haar woonplaats Bilthoven.

Reputatie

Franssens loopbaan leest als een aaneenschakeling van functies in de politiek en het onderwijs. NVC-vicepresident Elisabeth ten Bruggen Cate sprak haar zorgen uit over Franssens drukke bestaan. ‘Zou het niet mogelijk zijn, dat je meer tijd vrij krijgt voor het NVC? Wij leden stellen allen de samenwerking in het NVC op hoge prijs, maar vooral ook met al deze nieuwe leden, is het zo moeilijk, dat onze voorzitster eigenlijk altijd haast heeft en naar iets anders moet gaan’ (brief d.d. 24-3-1959). Franssen beloofde de NVC-vergaderingen, zo mogelijk, niet vroegtijdig te verlaten. Ze vond echter dat haar stijl van voorzitten de vergaderingen niet nadelig beïnvloedde: ‘Tenslotte: tempo. Niet te verwarren met: haast. […] ben mij echter niet bewust van slordige of onvolledige behandeling of onafgewerkte agenda’.

Marga Klompé was niet overtuigd van de capaciteiten van haar opvolgster. Behalve dat Franssen van de VVD kwam, ‘de partij die dit departement heeft willen opheffen’, was ze als weduwe met jonge kinderen volgens Klompé niet in staat de functie naar behoren te vervullen: ‘Zij is zeer ambitieus en zal zich ongetwijfeld de kaas niet van het brood laten eten, maar mist naar mijn mening ergens een basis van innerlijke beschaving’, aldus Klompé (gecit. Mostert, 341-342). Volgens KVP-minister Veldkamp werd minister Franssen dan ook bijna hinderlijk gevolgd door haar voorgangster. In de necrologie van het NRC Handelsblad werd Franssen bestempeld als de eeuwige ‘opvolger van’.

Naslagwerken

PDC.

Archivalia

  • Aletta Instituut voor Vrouwengeschiedenis, Amsterdam: toegang 118 (Archief Het Nederlandse Vrouwen Comité), inv. nr. 1 [notulen ALV d.d. 31-1-1948]; inv. nr. 9 [brief aan Schouwenaar, 28-8-1947). Toegang 233 (Archief Vereniging Vrouwen met Academische Opleiding, afd. Amsterdam), inv. nr. 1-2 (notulen bestuursvergaderingen); inv. nr. 11 (jaarverslagen); inv. nr. 13 [brief E.B. ten Bruggen Cate aan J. Schouwenaar d.d. 24-3-1959]; inv. nr. 53 (doelstelling comité).
  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: dossier en familieadvertenties Smith, Franssen en  Schouwenaar.

Literatuur

  • A.F.W. Lunsingh Meyer, ‘Vredesbeweging en internationaal leven’, in: M.G. Schenk red., Vrouwen van Nederland 1898-1948. De vrouw tijdens de regering van koningin Wilhelmina (Amsterdam 1948) 291-302.
  • Ruud Koole, Paul Lucardie en Gerrit Voerman, 40 jaar vrij en verenigd. Geschiedenis van de VVD-partijorganisatie 1948-1988 (Houten 1988).
  • Hella van de Velde, Vrouwen van de partij. De integratie van vrouwen in politieke partijen in Nederland, 1919-1990 (Leiden 1994).
  • NRC Handelsblad, 27-12-1995 [necrologie].
  • Gerard Mostert, Marga Klompé 1912-1986. Een biografie (Amsterdam 2011).

Illustratie

Jo Schouwenaar-Franssen door Harry Pot (Anefo), 1963 (Nationaal Archief). 

 

 

Auteur: Fernie Maas

laatst gewijzigd: 23/07/2015