Ruys, Anna Charlotte (1898-1977)

 
English | Nederlands

RUYS, Anna Charlotte (geb. Dedemsvaart 21-l2-1898 – gest. Amsterdam 8-2-1977), bacteriologe. Dochter van Bonne Ruys (1865-1950), planten- en boomkweker, en Engelina Gijsberta Fledderus (1872-1935). Anna Ruys trouwde op 22-6-1945 in Amsterdam met Maria André Antoine August Defresne (1893-1961), toneelschrijver en -regisseur. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Anna Charlotte Ruys groeide op in Dedemsvaart als tweede van acht kinderen. De streng Nederlands-hervormde traditie die de opvoeding kenmerkte, sloot een zekere ‘moderne geest’ niet uit. Als kweker van vaste planten experimenteerde haar vader met nieuwe variëteiten, en zijn kwekerij Moerheim werd hierdoor wereldberoemd. Moeder Ruys had als een van de eerste vrouwen in Nederland het examen voor postbeambte afgelegd en bij de post gewerkt. Na haar huwelijk organiseerde zij een christelijke wijkverpleging. De dochters Ruys kregen een gedegen opvoeding. Charlottes zus Mien ontwikkelde zich tot een beroemd tuinarchitecte. Charlotte zelf ging op dertienjarige leeftijd uit huis om in Zwolle het gymnasium te volgen, waar ze vanuit de vijfde klas staatsexamen deed. Daarop ging zij in Utrecht studeren, leerde daar haar vriendin Marie Anne Tellegen kennen en kwam in aanraking met onder anderen Frans Coenen en Carry van Bruggen. Zij raakte in deze periode meer en meer links-liberaal georiënteerd en verbrak ook de banden met de kerk.

Bacteriologisch onderzoek

In 1922 haalde Charlotte haar doctoraal examen. Ze besloot haar artsenopleiding voort te zetten in Groningen omdat enkele Utrechtse hoogleraren de naam hadden grof tegen vrouwelijke studenten te zijn. Op 21 februari 1924 voltooide ze deze opleiding. Ze opteerde voor een wetenschappelijke loopbaan, maar het lukte haar niet aan de slag te komen. Daarom begon ze als volontair bij professor W.A.P. Schüffner op het Instituut voor Tropische Hygiëne van de Vereeniging, onderdeel van het Koninklijk Koloniaal Instituut in Amsterdam. Ze begon er een onderzoek naar de rattenbeetziekte, waarop ze op 3 juli 1925 promoveerde. Vlak voor haar promotie kreeg ze een opdracht van de GG en GD voor een onderzoek naar de aanwezigheid van pest bij scheeps- en havenratten. Het project stond onder leiding van J.J. van Loghem, hoogleraar in de gezondheidsleer aan de Universiteit van Amsterdam. In september kwam zij bij hem in dienst als assistente: naast het onderzoek was ze behulpzaam bij practica en zette ze een leergang op voor de opleiding van hygiënisten. Zelf haalde ze in 1926 als eerste het diploma. In 1928 werd Ruys privaatdocent in de bacteriologie der infectieziekten. De openbare les waarmee zij deze functie aanvaardde was getiteld: Wisselende opvattingen over besmetting.

Praktisch ingesteld als ze was, had Charlotte Ruys meer hart voor toegepast onderzoek dan voor het zuiver wetenschappelijke onderzoek aan de universiteit. In 1928 besloot ze te solliciteren naar de functie van hoofd van de laboratoria van de afdeling volksgezondheid van de GG en GD, en tegen de verwachtingen in werd ze aangenomen. Inmiddels had Charlotte Ruys in 1924 de regisseur en schrijver August Defresne leren kennen, met wie ze een blijvende relatie kreeg. Een huwelijk was echter niet mogelijk omdat hij nog was getrouwd met de toneelspeelster Charlotte Köhler. Toen Köhler in 1937 eindelijk toestemde in een echtscheiding, was het voor Ruys onmogelijk geworden te trouwen: een artikel in het Algemeen Rijksambtenaren Reglement (ARAR) van 19-1-1934 bepaalde dat ambtenaressen beneden de 45 jaar op de dag van hun huwelijk werden ontslagen, en Ruys wilde haar baan niet verliezen. Geheimhouding bleef geboden want het ARAR stelde concubinaat gelijk aan een huwelijk.

Het werk van Ruys bij de GG en GD betekende niet haar definitieve afscheid van de universiteit. Nadat ze twee keer was gepasseerd bij hoogleraarsbenoemingen (in Groningen en Utrecht) werd ze in april 1940 op voorstel van Van Loghem benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Haar inaugurele rede hield ze over ziektekiemen. Medische studenten die zich hun toekomst niet konden voorstellen tussen ‘buisjes en preparaten’, wees zij op het belang van nauwkeurig laboratoriumonderzoek. Ze placht dan haar ontdekking uit haar beginjaren bij de GG en GD als voorbeeld te stellen: vrouwen kregen ten onrechte de diagnose gonorroe terwijl ze slechts aan een onschuldige vagina-infectie leden. Deze vondst betekende voor die vrouwen niet alleen het voorkomen van een langdurige en onplezierige behandeling, maar ook van de ‘schande’ van een geslachtsziekte.

Verzet

In 1941 sloot Charlotte Ruys zich aan bij het artsenverzet, dat in de zomer van 1941 met de oprichting van het Medisch Contact begonnen was en zich half legaal en half illegaal de daaropvolgende jaren weerde. Nadat tijdens een van haar colleges in februari 1943 de mannelijke studenten door de Duitse politie waren weggehaald, weigerde ze nog colleges te geven. Dit leidde uiteindelijk tot haar ‘oneervol’ ontslag in 1944. Zij negeerde daarbij tot drie keer toe een dreiging met de doodstraf door de SD. In februari 1945 werd zij toch nog gearresteerd onder verdenking de leiding te hebben over geheime zenders in Amsterdam. Op 6 mei werd ze bevrijd uit het ‘Oranjehotel’ (de gevangenis in Scheveningen). Kort hierna – op 22 juni – trad ze in het huwelijk met Defresne. In 1948 volgde ze Van Loghem op als hoogleraar in de bacteriologie, epidemiologie en de immuniteitsleer. Daarnaast doceerde zij tot 1952 sociale geneeskunde en tot 1958 hygiëne.

Charlotte Ruys was actief lid van de Vereeniging van Nederlandsche Vrouwelijke Artsen. Van 1947 tot 1950 nam Charlotte Ruys het voorzitterschap van de Medical Women’s International Association op zich. In deze functie had zij de leiding over het roerige internationale congres in 1950, waarin mede door haar invloed werd besloten de Duitse vrouwelijke artsenvereniging weer toe te laten tot de internationale organisatie. Van 1949 tot 1953 was zij voorzitter van de medische faculteit van de UvA. Daarnaast was ze lid van de redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1945-1948), de Nederlandse Unesco Commissie (1947-1951), het bestuur van de Nederlandse organisatie van Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) en het bestuur van het instituut voor Toegepast-Natuurkundig Onderzoek (TNO). Tot 1966 had zij tevens zitting in de Gezondheidsraad.

Tijdens een studiereis naar de VS in 1947 raakte Ruys betrokken bij discussies over de rol van het wetenschappelijk onderzoek bij oorlogvoering, vooral op bacteriologisch terrein. In lezingen en artikelen wees zij sindsdien op de noodzaak van het verzet hiertegen. Een verzoek van het ministerie van Oorlog om te adviseren over de bouw van een laboratorium, wees zij af. In een rede in 1961 voor de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945, getiteld Verzet van vandaag, vergeleek ze haar protest in dezen met het verzet tijdens de oorlog.

Na de dood van Defresne in 1961 woonde Charlotte Ruys samen met haar jongste zuster. Ze stierf op 8 februari 1977 in Amsterdam, in de leeftijd van 78 jaar.

Archivalia

  • Collectie - Defresne-Ruys in particulier beheer.
  • Atria, Amsterdam: Autobiografie van Charlotte Ruys in fotokopie; ‘Herinneringen aan A. Defresne’ in machineschrift (ook aanwezig in de collectie van Nederlands Theater Instituut, Bijzondere Collecties UvA); fotokopie ‘Anna Charlotte Ruys 21-XII-1898’.

Publicaties

Lijst van publicaties van 1925 tot 1968 in de bibliotheek van het Laboratorium voor de gezondheidsleer van de Universiteit van Amsterdam.

Literatuur

  • W.B.F. Schaper, ‘Prof. Anna Charlotte Ruys’, in: In het eerste gelid. Twaalf vooraangaande Nederlanders (Meppel z.j. [1955]) 117-133.
  • F. Dekking en J.J. van Loghem sr., ‘Prof.dr. A. Charlotte Ruys 25 jaar hoogleraar’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 109 (1965) 1131-1132.
  • E. Pereira-d’Oliviera, Vrouwen feministen die van genezen wisten (Amsterdam, 1973) 118.
  • Tom de Greef en Max Hirsch, ‘1940-1975’, Folia civitatis 28 (1975) nr. 34.
  • B. Turksma-Heijmann, ‘Prof. A. Charlotte Ruys: Woekeren met talenten’, Mededelingen van de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding 42 (1976) nr. 1, 12-14.
  • J.W. van den Blink-Rolder, De krant van de V.N.V.A. 5 (1977) nr. 2, 6-9.
  • J.R. Prakken, [Necrologie], Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 121 (1977) 427.
  • H. C. Zanen, [Necrologie], Folia Civitatis 30 (1977) nr. 23.

Illustratie

Als presidente van de Medical Women's International Association in gesprek met haar voorgangster, Dr. Esther Lovjo (r.). Foto door onbekende fotograaf, 1948 (coll. Atria)

Auteur: Mineke Bosch

laatst gewijzigd: 14/11/2014