21
Nobel en
Aelberts hebben conform
de resolutie
van 10 aug. de declaratie van dr.
Pijnacker
nader onderzocht en deze aangepast volgens de resoluties
inzake
zijn vertrek naar
Algiers en
Tunis.
Tevens hebben zij de onkosten vanwege de vrijgelaten Fransen
gescheiden
van de andere onkosten om te achterhalen welk deel door het
land
en welk deel uit de lastgelden dient te worden betaald. Pijnacker
brengt
voor
de vrijlating van de Fransen 6.590 realen van achten in rekening.
Uit
Calais,
Dieppe en
Le
Havre zijn echter ten hoogste zestien of twintig
Fransen gevangengenomen, van wie er al zeven à acht aan de pest
zijn gestorven. De
overigen
zullen dus grotendeels Basken en onderdanen van de
Spaanse koning zijn of
andere Fransen, die hij op particulier krediet van kooplieden heeft
gerantsoeneerd.
HHM laten Pijnacker dit nader bewijzen in overeenstemming met zijn commissie en instructie. Hiervoor zijn voorlopig 1.600 realen bestemd, getrokken op
Boudewijn de Man, ontvanger te Delft, en door hem op last van HHM
betaald.
Aangaande de andere partijen die niets van doen hebben met de Fransen, rapporteren de heren dat Pijnacker volgens zijn instructie gelast is binnen Algiers niet meer dan 1.552 realen aan verering uit te geven. Volgens artikel één tot 53 heeft hij daarentegen 2.255 1/2 reaal in rekening gebracht.
HHM besluiten hem niet meer te geven dan hem volgens zijn instructie toekomt.
Ten tweede mocht Pijnackers volgens zijn instructie uiterlijk 31 dagen in Algiers blijven; wat dan nog niet zou zijn afgehandeld, zou voor agent
Pieter Martenssen Coij blijven. Hij is echter honderd dagen gebleven tegen 6 realen
per dag, tezamen 600 realen.
HHM betalen niet meer dan 186 realen.
Ten derde is Pijnacker aan huishuur 40 realen per maand gegeven; voor vier maanden brengt hij 160 realen in rekening.
HHM geven hem niet meer dan 40 realen plus nog 12 realen voor een bruidsgeschenk aan de dochter des huizes.
Ten vierde gaan HHM gaan akkoord met de 20 realen die hij te Tunis aan tol voor zijn bagage heeft betaald.
Ten vijfde krijgt hij, in plaats van de 1.423 realen wegens in Tunis betaalde vereringen, slechts de hem toegestane 1.226 realen.
Ten zesde krijgt hij in plaats van 180 realen voor drie maanden huishuur in Tunis slechts 60 realen voor één maand, zoals overeengekomen.
Ten zevende krijgt hij in plaats van 520 realen aan proviand gedurende drie maanden verblijf, 248 realen voor 31 dagen, zoals overeengekomen.
Ten achtste zegt Pijnacker achttien en een halve maand in dienst te zijn geweest. Met aftrek van de vijf en een halve maand die hij in Tunis en Algiers aan land is geweest, verzoekt hij betaling van de overige twaalf maanden à 300 gld. per maand.
Omdat Pijnacker voor zijn vertrek 800 gld. heeft ontvangen, laten HHM zijn vacatie ingaan vanaf zijn vertrek. Aangezien de schepen er zeven maanden over hebben gedaan en hem de twee maanden die hij te Algiers en Tunis is geweest hierboven zijn gegeven, krijgt hij voor de overige vijf maanden telkens 300 gld., in totaal 1.500 gld.
Ten negende brengt Pijnacker wegens lossing van 85 Nederlandse slaven 850 realen in rekening.
HHM staan dit ondanks ontbrekend bewijs toe.
Ten tiende brengt hij nog posten van 450, 10 en van 20 realen in rekening, die niet worden gehonoreerd.
Tot slot krijgt Pijnacker, in navolging van de resolutie van 9 juli 1625, 1.000 gld. wegens verering en nog eens 1.000 gld. voor zijn uitrusting. Alles tezamen bedraagt dit 13.565 gld. 12 st. Het geld zal door de
Admiraliteit te Amsterdam
aan hem worden betaald uit het lastgeld, met aftrek van eventueel reeds ontvangen bedragen.