Dagboeken

 
English | Nederlands

dagboekcahier 12

21/10/1946

maandag 21 october 1946

’t Is jammer, dat ik den laatsten tijd zoo weinig heb opgeteekend. Daar was vooreerst de Commissie-Generaal. Deze is naar Indië vertrokken met Schermerhorn als voorzitter. Beel heeft getracht in de instructie dit voorzitterschap alle feitelijke beteekenis te ontnemen. De ervaring heeft helaas al geleerd, dat hij daarin niet is geslaagd. Schermerhorn houdt weer volop redevoeringen en praat weer telkens zijn mond voorbij! Onlangs had ik Beel aan de telefoon. Ik vroeg hem: kun je dien meneer in Indië niet een slot op zijn mond leggen? ‘Ik wou, dat ik ’t kon!’ Hij zei echter, dat hij nog steeds goeden moed had, dat men in Indië tot overeenstemming zal komen. Reeds voordat de Commissie-Generaal ging, had hij me gezegd, dat Van Mook vóór januari van ’t tooneel zou verdwijnen. Thans verluidt inderdaad, dat Van Mook om gezondheidsredenen ontslag had gevraagd. ’t Is echter de vraag of hij de positie in Indië niet reeds al te zeer heeft bedorven, dat daar nog iets goeds van kan worden gemaakt. Er is nu al een wapenstilstand gesloten, maar de oproerige benden houden zich er niet aan. Misschien ligt hierin voor ons wel een voordeel. Er blijkt toch ook, dat de ‘Repoebliek’ het gezag niet kan handhaven. Engeland zal dan wel gedwongen worden te erkennen, dat ons gezag er moet blijven. In ’t algemeen doet de rol door Engeland thans in ons Indië gespeeld,  akelig veel denken aan ’t oude ‘perfide Albion’. Met groote zorg zie ik daar de ontwikkeling der dingen, zorg voor ons land, maar nog meer voor de bevolking van Indië!

            Onlangs heb ik nog weer eens, op uitnoodiging, een vergadering bijgewoond, die me veel vreugde gaf en moed voor de toekomst.’t Was de openingsavond van een groote éénjarige cursus voor de jongeren in de Katholieke Volkspartij. Met groote instemming volgde ik het gesprokene en toen aan ’t slot de voorzitter me vroeg of ik ook nog een woordje wou zeggen, heb ik daaraan gaarne en met warmte voldaan. Ik sprak wel een kwartier en deelde een en ander mede over de Sociale Weken en de cursussen voor leidende figuren in de R.K. vakbeweging, welke ik een dertig jaren geleden ontworpen, georganiseerd en uitgevoerd had. Welke heerlijke vruchten hebben ze afgeworpen!

            Ik hoop, dat men in de partij thans een gelijk voordeel van deze cursussen zal hebben. Ik was zelf verbaasd over het enthousiasme waarmee deze vergadering van uitsluitend jongeren mij, oudje, begroette! Toch deed ’t me goed.

            In ons nieuwe thuis – Eykenburg – blijft het ons steeds goed bevallen. Onze drie kamers zijn nu geheel op orde. De boeken die ik behouden kan – ongeveer een derde van ’t geheel! – staan al goed geordend in de kasten, dankzij vooral de hulp van onzen jongsten schoonzoon Ad Quaedvlieg. Maar ook ’t overige, de bediening, het eten, de entourage, enz. ’t is alles even uitstekend! Ik hoop, dat we hier oud zullen worden en jong blijven! 

uit: Dagboek XII (7 augustus 1946- [26 november 1947])