Nederland en de Europese integratie, 1950-1986

 
English | Nederlands
Samenvatting
4e Het Europese leger. (Nota minister van Buitenlandse Zaken, 17 augustus 1951).
De minister-president acht het hoogst ongewenst, indien een zo grote moot als voorgesteld in het Plan-Pleven, uit het beleid van de nationale regering wordt gelicht. Wegens het niet-deelnemen van Engeland en Scandinavië is het plan weinig aantrekkelijk. Te vrezen valt dat Duitsland de leiding over het Europese leger zal gaan bemachtigen. Drees heeft bezwaren tegen het feit dat de Hoge Auroriteit uit één persoon zal bestaan, het feit dat een nationale regering niet zelf mag beslissen over het financiële aandeel, en dat het verdrag voor 50 jaar wordt aangegaan, ongeacht eventuele regimewijzigingen bij de partners.
Mansholt voelt echter weinig voor een te negatief oordeel. Hij meent dat gezocht moet worden naar mogelijjkheden tot coördinatie in NAVO-verband.
Besloten wordt dat de bezwaren tegen het Plan-Pleven zullen worden meegedeeld en dat na de bijeenkomst van de Grote Drie door de Raad zal worden beslist in welke vorm Nederland verder aan de besprekingen zal deelnemen.