Registers van de Hollandse grafelijkheid 1299-1345

 
English | Nederlands

A: Primaire registratie, niet voorhanden.
B: AGH 324 (groot register Friesland), f. 9r-12r, nrs. 25-28 (24-25) (wrs. 1324 mei 13-sept., naar A).

In het register ligt tussen f. 11 en 12 een los strookje papier, waarop de 15e-eeuwse hand die ook veel opschriften schreef het eindtotaal heeft genoteerd van de opmeting van de Westfriese dijken: Facit tsamen XXXIM IIIC XXVII gherden V voeten.

C: AGH 325 (klein register Friesland), f. 7r-10v, nrs. 23-28 (wrs. 1336 mrt. 14-ca. 1340 mrt., naar B).

In de ondermarge van f. 8v de custode waren ende die pape sal die renten ende verval op boeren.

Editie/regest: Van Mieris, ChHZ II, p. 210-216 (behalve de afsluitende notities VII:2-VIII:10), ad ‘Voor ’t Pascha, in April 1319’; Beenakker, a.w., p. 189-201.

Deze notities van uitspraken door de grafelijke Raad, neergelegd in de documenten die hier worden aangegeven met de Romeinse cijfers I-IV, geven de indruk de neerslag te zijn van twee kort op elkaar volgende zittingen; deze zijn vermoedelijk te dateren in het voorjaar van 1320. Het jaar wordt genoemd in V:1; zie hierna. Het jaargetijde blijkt uit enkele verwijzingen naar de ‘lenten’, de landbouwwerkzaamheden in het voorjaar (II:2, 12), en uit de vermelding van enkele data die naar de nabije toekomst verwijzen: zondag na Pasen (6 april van genoemd jaar; II:22), vóór mei (I:3), en veertien dagen na Pinksteren (dat is dan op 1 juni; II:1, 2), op welke laatste dag een volgende zitting zou worden gehouden. In nr. III:1 wordt verwezen naar een eerdere zitting op Palmzondag, dat is 23 maart 1320. Uit dit alles, en uit een aantal zaken die in I-II worden behandeld en die in III-IV terugkeren, valt af te leiden dat de eerste zitting van de Raad, met stukken I en II als neerslag, vermoedelijk op 23 maart plaats had; de vervolgzitting, resulterend in stukken III en IV, op 1 juni. In nr. V daarentegen, waarin het resultaat van de opmeting van de West-Friese omringdijk is opgetekend, wordt gemeld dat die was verricht tussen de dinsdag na Midvasten en de zondag vóór Palmzondag in het paasjaar 1319, dat is tussen 4 en 16 maart 1320 (V:1). Hieruit blijkt dat V eerder is ontstaan dan I-IV, en dat dus de afzonderlijke onderdelen, die in eerste instantie wellicht alle op losse bladen waren opgetekend, niet (geheel) in chronologische volgorde zijn ingeschreven. – Tot een overeenkomstige datering kwam J. Beenakker, Van rentersluze tot strijkmolen. De waterstaatsgeschiedenis van de Schager- en Niedorperkoggen tot 1653 (Alphen aan den Rijn 1988), p. 17-26, die voorts de hier opgetekende activiteiten van de Raad plaatst in het kader van de vrede tussen graaf en Friezen d.d. 1319 december 19 (nr. FR 22 in het onderhavige register), en deze tevens in verband brengt met de schade die een stormvloed in 1318 aan de dijken had toegebracht.

Tegenover dit alles staat het feit dat het jaartal 1320 niet in overeenstemming is met de plaats in het register: de eraan voorafgaande (contemporaine) oorkonden zijn uit najaar 1321, de erop volgende beginnen in eind april 1322. Het is evenwel goed voorstelbaar dat de originele registratie van deze tekst is uitgevoerd in een afzonderlijk katern – welke veronderstelling wordt bevestigd door de plaatsing in met name AGH 324, waar de tekst eveneens in een eigen katern staat, met lege bladzijden voor en na de tekst; bij kopiëring op een later tijdstip kan dan dit ongedateerde dossier gemakkelijk op een niet geheel correcte plaats zijn ingevoegd. Het jaar 1322 ligt ook minder voor de hand vanwege de vermelding in nrs. I:17 en III:12 van verlies van militair materieel bij Roermond; van bij Roermond gesneuvelden is sprake in NH 80 d.d. 20 augustus 1320. Zie ook de oorkonde van 1 mei 1321, waarin de graaf de inwoners van Roermond voor enige tijd vrede geeft (nr. ZH 79).

Resteren de afsluitende nummers VI-VIII. De inhoud van VI lijkt een latere aanvulling op de bepalingen van IV, meer speciaal het resultaat van onderhandelingen op basis daarvan; deze optekening zou dan zijn te dateren (kort) na 1 juni 1320, maar vóór 11 november (van dat jaar?), de termijn genoemd in VI:3. Nummer VII is een herhaling van VI:1-2; mogelijk bemerkte de kopiist van B, of al eerder die van de primaire registratie A, bij het tweede item dat hij aan het dubbelen was, waarna hij is opgehouden – dit is mogelijk ook de reden dat de kopiist van C hier is gestopt. Nummer VIII tenslotte lijkt een puntenlijstje met geconstateerde feiten alsmede door ingelanden (deels van buiten West-Friesland) ingediende bezwaren naar aanleiding van een verstoeling. Het zal daarbij wel gaan om die van de West-Friese dijken zoals neergelegd in IV; de notities zijn dan te dateren (kort) na 1 juni 1320, en uiterlijk vóór mei-september 1324, toen deze in het register B werden ingeschreven.

De onderstaande tekst is gebaseerd op afschrift B.

a Dit es tbescheyt dat mijn here die bisscop van Zuden.b

I

1. Int eerste van den eysche dat Gheraerdc Bartoud eyskende es haren Dieric van Outshoerned alse van den boeten die Gheraerdee voerseyt verboerde in den dingstalle te Medenblijcf: dat die dinghen met recht ende met vonnesse sleten sijn; ende voerd wisen wine an mijn here, jof mijn here hem enich goed doen wille.

2. Voerd so hebben wi ter waerheyt ondervonden dat Lovetuycg alsulke smerte van Andriese niet ontfenc, al waer dat hi storve, datmen op Andriese niet bannen en mochte; ende segghe daer of Andriese onghemoyt te bliven van den doetslaghe.

3. Voerd segghen wi van den tuyh die es om den tiende tusken Outkerspel ende Wermerhuzeni, ende roert tuschen den gravej ende Wouterek van Egmonde, dat dat bescheyden zullen die rentemeister ende die dijcgrave tuschen hier ende meye naest comende.

4. Item segghen wi dat Tyeman Reynaers Soorkes soen den groten indijc int nieweland niet zayen en zal, mer hi zels ghebruken sonder den buren moynesse te doen; ende die buren selre horen wech op hebben met horen beysten, als si hier voermaels plaghen te hebben. Voerd zo zal hi daer redelike scuttinghe hebben, alsmen hier voermaels plach te hebben. Voerd so zal Thiemanl den buren die drie pond ende achte scellinghe van mijns heren Jans cost weder gheven, also verre als Willaemm veren Baertenn sone met Mathieseo den baeliu gheproeven kan dat hize hem of ghenomen hevet met onrechte.

5. Item van Dierixp croene die sine molen te Scagheningheq ghebarnet ward, dat setten wi op toet onsere weder coemsten.

6. Item es ons segghen dat Ghizer van Ghent ende Fokele Maloc onderlinghe rekenen zullen voer den baeliu ende voer Willaems veren Baertent soen alse van den goede dat si te zamene vercreghen hadden, ende dat bi hem tuyendelenu.

7. Item segghen wi dat Gibboutv Zivaerds soens broeder gheven zal zinen wive, Fokelen dochter voerseit, die helfte van al den goede dat si te zamen hadden op den dach dat hi sijn wijf voers. wonde; ende daer toe zal hi hoer smerte ghelden na des lands rechte.

8. Item zegghen wi dat Mathijs die baeliu innen zal van dien van Winkelw alsulc ghelt alse mijn here die grave op hem gheset hevet alse van der misdaet die si deden an Wiric van Winkel, ende dat Mathijs daer of Wierike voers. sine smerte ghelde.

9. Vord zullen die rentemeister ende Arnoud van den Dorpe bezoeken die waerhede tusken Moeder Burchgaertsx wijf ende Heyckey Gherouds soen ende sine broeder, alse van den moerdbrand die si haer ane teghen ende van der scade sie ziere oec omme ghedaen hebben.

10. Item segghe wi Hughen den Starken dat hi sine costerie selve verdiene als hi uyter ghizelie coemt; ende die wile dat hi te ghizel leyt dat hier enen rockeliken coster sette daer die prochiez mede bewaerd es, jof dat hi die costerie quite scelde.

11. Voerd van Yeven ende van sinen wive die Levetuyst neve ane sprac ende van der miede die daer of ghync, so segghen wi Dieric van Hoghendorpe die vijf pond die hier of hadde weder gheven zal, ende Vecke Tieden soen sine vijftien scellingen weder gheven zal, ende dat Jan Heddinc sine zes ende viertich scellingen weder gheven zal, ende dat Lovetuyt Yeven voers. gheven zal die vijf pond die de proest hebben soude voer sine misdaet ende die zeventien scellingen die haer Willaema' Advoltaet hadde, ende dat Lovetid voer sinen misdaet jeghens mijn here ende voer die scade ende scande die hi Yeven ende sinen wive daen hevet invareb' te ghizele te Haerlaemc', ende niet van daen te sceyden en sie bi mijn here den graved'.

12. Item segghen wi van den vijftien ponden die Mathijs eyskende es heren Dierix soen van Scaghen ende van al den anderen dien hi te hove ghedaghet hevet of daghen wil, om dat si ghemeente' soent souden hebben in die dier tijd van dieften, dat die rentemeister ende die dijcgrave die wareheyde daer of ondervinden zullen ende ons die ane brenghen toet onser weder coemsten, ende dan zullen wiet uyten.

13. Voerd segghen wi dat Allaerdf' van den Stienhuzeg' die kerke van Oestwoude besinghen doe ende der kercland diken doe, als hi ghelovet hevet, toet onser weder coemsten toe.

14. Van Jabboud ende sinen wive, die binnen den bonden tieden te zamen quamen, bidden wi den deken dat hize absolvirt.h'

15. Item ombieden wi Mathise ende sinen scouten ende knapen van ons heren weghen alse dat hi Alle Abbinc, Scap Edeman, Enghe Walinx soen, Alle Roelekint onghemoyt laten alse om die orkonde die si deden van enen ghate, ter tijd toe dat wi weder comen.

16. Voerd segghen wi dat die deken recht doen zal Aetsekeni' van der Doke alse van haren manne Wouter die een ander wijf ghetrouwet soude hebben.

17. Item segghen wi datmen die van Medenblijcj' haer harnasche dat si verloren tote Ruremonde ghelden zal ghelike dat die van Delf horen poerters ghelden.

18. Voerd zal haer Dieric van Outshornek' na der goeder waerheden besceyden den twi diel' es tusken haren Lambrechtm' van Wogghenenn' ende Dierc Willemo' soen alse van den huze ende landcope daer si omme twien.

19. Item hebben wi den dijcgrave bevolen dat hi met Andriese alse Broeder Duremoet soens lande lieden met een scattenghelde.

[f. 9v] 20. Voerd van den rentemeyster ende van dien van Winkel zegghen wi dat die van Winkel jeghens hem scheyden ende delen zullen bi den dijcgrave ende bi wittighen buren, ende hoer deel an den enen egghe te nemen, ende dat si hebben zullen enen redeliken scutter; ende ghebrake hem daer an yet, dat soude die dijcgrave berechten.

21. Item segghen wi dat Nannincp' Elmans soen uyt rekene Olsen siere niften haer goed also groet ende also goet alset was op die tijd doe hize in hoeden hadde, of ghesleghen also vele ghelts als mijn here daer of hadde; ende des goeds en zal si noch niemant vercopen, mar si salre haer redelike lijftochte of hebben, ende tander zal haren erfnamen bliven. Voerd segghen wi dat Nannincq' Elmans soen voers. omme menigherhande claghe, die ons over hem in biechten ghecroent es, in varen zal te ghizel in Delf, niet van daen te scheyden en si bi mijns heren wille.

22. Voerd segghen wi dat die baeliu een onvertrect recht doen zal tuschen Pieter Vokijn ende Sieenicr' van Westerblocweers' alse van den landkustinghe daer hem Pieter Vokijn voers. of becroent, alse van drie ponden ende een vate biers.

23. Item segghen wi dat die baeliu een waerheide soeken zal tusken Wibrandt' Preestra ende Ludikaienu' alse van der landkustinghe daer Ludikaienv' voers. of gheclaghet hevet.

24. Voerd segghen wi dat Willaemw' van Scoten Dieric Willaemsx' soen voldoe van sinen doden vader, jof dat hier ballinc voer blive.

25. Item segghen wi dat die baeliu ende haer Lambrechty' die deken na der waerheden vereffen zullen tuschen den pape van Luttekebroekez' ende den knape dien hi ina'' die zide ghesteken hadde met eenre stickele.

II

1. b'' Int eerste zegghen wi dat elc man in Vriesland sinen dijc maken zal sine hoghe ende sine viercant ende sine brede met aerden den aerdijc ende met woerc'' den woerdijcd'', ende desen dijc zal elc man maken also groet als hi op hem nu ghehoeftslaghedee'' es; ende dese dijc zal volmaect wesen alse voerscreven es des zonnendaghes voer Pinstere naest comende, also dat dan die dijcgrave dan scouwen mach. Ende viertien daghe na Pijnstere so zullen wi ende anders mijns heren Raet in Vriesland wesen om elc ambocht op sinen dike te brenghen ende in elken ambochte elken kerspel sinen op ganc ende sinen of ganc te wisen, daer hi hem erfelike bliven zal.f''

2. Voerd want nu in den lenten es dat die lude qualike van haren lenten moghen, ende Vriesland also diep nu es dat mens nu niet ghemeten en mach, zo zal mijns heren Raed in Vriesland weder wesen viertienachte na Pinster naest comende.

3. Item segghen wi dat men allen indijc in Vrieslandg'' tote twie voeten hoghen zal ende niet daer boven, bi den scoute ende bi den scepen int ambocht daerd gheleghen is, ende voerd selh'' die scoute mitten scepen alle indike ende weghe ende weteringhe scouwen zullen; ende so wat ghelt dat die scoute uytleit dat zel hem die baeliu weder gheven, ende hi salt den baeliu weder berechten alst recht es.

4. Voerd verbieden wi alle indike ende waterscuttinghe in testeke bi live ende bi goede.

5. Item want wi vernomen hebben dat Ghizei'' van Ghent, Hughe die Starke ende die coster van Boven kerspel, ende Claisj'' Dumikaienk'', Pieter van den Oerdel'', Gheraerdm'' Ghulijc van Noudorpe, Allaerdn'' die poerte wachter, Pieter Ghizen neve van Ghent, Jacob Elsen sone, Romikaieno'' uyt Oesterland, Oester Zibrand ende Waltic Alebaernp'' die indike ende waterscuttinghe in ghesteken hebben, soe ghebieden wi hem van ons heren weghen des graven dat si invaren te ghizel te Delf ende niet van daen te sceyden eer si ons heren des graven moet hebben.

6. Voerdq'' seghen wi dat niemant in Vriesland visken en sal hi en sie bekennelike ghebure ende wonachtich binnen Vriesland; ende waer yemant anders diet dede, die verboerde sijn scip ende sijn ghetouwe ende drie pond also dicke alse hiet doet, ende die viskenen die hi ghevaen hadde.

7. Item segghen wi datmen en ghienre sluze naer visken zal dan viertich roeden, het en sie dat den rentemeister ende den baeliu orbaer denket dat mense naer of vorder leyt; ende dat selmen bepalen tusken hier ende Pinxter naest comende.

8. Voerd verbieden wi van ons heren weghen des graven dat niemant en ghiene sluze toe binde noch op en sparre noch an ghien faut an en doe, bi live ende bi goede.

9. Item want wi verstaen hebben dat Pieter van Enghuzenr'' ende sijn gheselscip die sluze op ghesparret hadden ende Doede Janinc die dore van der sluze op ghesparret hadde van Oesterblocweer, zonder warent op den dike ghehaelt hadde, ende Vordemaer Gherbrands sone die die sluze bij Oesterleke op ghesparret hadde, ende dat Jan veren Ghertruden soen die sluze bi Scellinc houtes'' op ghesparret hadde, ende dat Maertijnt'' van der Niewer wike die sluze te Hoerneu'' bi sinen huze op ghesparret hadde, ende dat Willaemv'' Hughe die sluze te Ursem op ghesparret hadde, ende dat Pieter van Wormaer ende Diddikaienw'' Wolfaerds soen die sluze in Haeren Hughen dike ende Outtorper dike op ghesparret hadden, zoe ghebieden wi hem van ons heren weghen des graven dat si dat verbeteren bi den rentemeister ende bi den dijcgrave, jof dat si te ghizel varen daer sise wisen zullen; ende Willaemx'' Hughe zalt verbeteren Jan van Berghen.

[f. 10r] 10. Voerd segghen wi dat so wanneer ene sluze te banne ghescouwet word, in die eerste scouwe elc kerspel ghelden zal vijf scellingen Hollandsy'', ter ander scouwe tien scellingen ende ter derder een pond.

11. Item segghen wi dat so waer een ghemene vacz'' in een dijc te banne ghescouwet worde, daer of zal die roede in die eerste ende in die ander scouwe verboeren achte penninghe in elkea''' scouwe, ende in die derde scouwe II s.; mar alwaerd een ghemene vac corter dan een roede, oec hoe cliene of hoe groet dattet waer beneden eenre roede, dat soude verboeren ghelike eenre roede voerscreven. Ende dese boeten zal die dijcgrave innen op die scepen, ende die scepen verhalen op den ghenen diet van rechte sculdich sien.b'''

12. Voerd wand die goede lude nuc''' om hoer lenten wille vele te doene hebben, soe setten wi allen niewen sluzen ende wateringhe op toet onser weder coemsten toe, alst voerscreven es.

13. Item segghen wi dat so waer ene ghemene hoele binnen dijcs of vaechse te banne ghescouwet worde, dat die hoele of gat ghemene vac verboeren soude toet elker scouwe te boeten V s.; ende die boeten zal die scoute verhalen op die scepen, ende die scepen op die ghemene ambochten. Ende soe wat ghelt die scoute uytleit, dat sal hi bi den baeliu in nemen als recht es, ende anders alle weech ende indike op alsulctanighe boete als hier voermaels ghestaen hevet, ende scepen wisen.

14. Voerd so waer een gheset dach es pacht ofted''' scote te setten of te innen, so wie daer coemt te rekeninghe die en zal ghiene boete verboren; ende dier niet en coemt, ghelde alse vele als hem scepen wisen.

15. Item segghen wi dat elc tiendenaer so wilc tijd hem die scepen van den ambochte te kennen gheven dat haer coern tiendebaer es, so zal die tiendenaer binnen den derden daghe dat coern vertienden; dede hies niet, die teelman soude bi den scepen sijn coern selve vertienden ende den tiende een admael houden na den tiendenaer sonder scade, ende niet langher.

16. Van indike ende van weghe van dien van Opdamme ende Heemsbrokee''', dien zullen si maken alse hem die baeliu wisen zal, tonser weder coemste toe.f'''

17. Voerd verbieden wi dat noch baeliu noch rentemeister noch dijcgrave noch scoute noch scepen noch makelaers noch niemand enighe miede of vorderinghe neme of yemand enich goed of drieghe of of brekeg''', bi eenre pene van tien ponden alse dicke als hiet dede, ende dat ghelt weder te gheven jof tgoed dat hi te miede ghenomen hevet, ende daer tenden niemarmeer in dien dienste te bliven.

18. Item segghen wi dat ghien waerlic man omme waerlike scoute den anderen daghe sal bi tien pond te verboren nu.

19. Voerd segghen wi dat al erve ghelden zal sine scaelcorne in den ambocht daerh''' gheleghen es, ghelike horen erve die binnen den ambochte wonen.

20. Item van den inlaghen over al in Vriesland zullen wi besceyt doen toet der tijd dat wi weder comen, alst voerscreven es.

21. Voerd want ons te voren ghecomen es dat Dieric van den Hoghen dorpe, Pieter van Enghuzeni''', Bonikaienj''' die scout van Outdorpek''', Thieman Reynaers soen ende Hughe Jans sone vele miede ghenomen hebben, so ombieden wi hem te Leyden te ghizel te varen ende niet van daen te sceyden en si bi mijns heren moet wille. Ende wat wi anders vernomen hebben, oec van wien soet es, die miede ghenomen hevet, dat houden wi ane minen here tot onsen verclaersen toet onser wedercoemste.

22. Alle dese ghizele voerscreven sullen in wezen daer si ghewiset sien des zonnendaghes na Paeschen naest comende.

23. Item segghen wi dat di gheest van Vroenen ende alland dat binnen Vriesland leyt, oec wien soet es, dicken ende wateringhen maken zal; mar wi sullen toet onser weder coemste, alst voerscreven es, bewisen waer elc land sijn dijc ende sine wateringhe hebben zal ende nemen, dat vri hevet gheweset tesen daghe toe.

24. Voerd segghen wi dat elc pape in Vriesland van siere scout, oec waer of dat si roerd, bescheyt nemen sal bi den scoute ende bi den scepen van den ambocht daer men hem die scout [f. 10v] sculdich es binnen den eersten achtaghen dat die pape gheclaghet hevet; ende en dede die scoute ende die scepen den paep binnen der tijd voers. en ghien recht, so soude die pape die scout mit den gheesteliken recht vervolghen.

25. Item waer enich pape die sine kerke niet besenghe noch besinghenl''' en dede, so soude die deken in die kerke enen anderen pape setten jof enen anderen kerspel pape die kerke bevelen diere best toe gheseten waren, ende die pape sal al die renten ende verval op boren bi den deken.

26. Item segghen wi dat elc prochipape binnen Vriesland sine kerke selve verdiene, jof mijn here zal die kerke anderen papen gheven.

27. Voerd zullen die proest van Vriesland ende die baeliu malc in siere baeliuscip die papen corrigeren na hare misdaet, wants mijn here mit den bisscop van Utrechtm''' over een ghedraghen es.

III

n''' Dit es tbesceyt dat die bisscop van Zuden ende anders mijns heren Raet ghemaect hebben alse van der armerluder claghe van Vriesland, die si gheclaghet hebben over hare papen, scouten ende anders hare buren.

1. Int eerste so segghen wi dat alle die punte die wi hier voermaels bescheyden hebben bescheyden zullen bliven in allen manieren alse wise seydeno''' in Palmen daghe; ende bevelen den baeliuwen van Vrieslandp''' van mijns heren weghen dat sise volcomen doen.

2. Voerd segghen wi dat die van Hoghetwoude horen pape gheven zullen alsulke provende als siq''' hier toe ghedaen hebben; ende als mijn here den graver''' goet dinket dat hoer proven also goet sien datter een paep meer op wesen mach, so selre mijn here noch enen pape setten.

3. Voerd segghen wi dat Lovetuyt ende Andries, die hi hevet van sinen wive doen scheyden, dat setten wi an heren Lambrechts''' den deken ende an Mathijset''' dat si dat bescheyden.

4. Item van der claghe die Rijcquaert van den Niewenlandu''' claecht alse van den ghelde van enen doden kinde dat hem of ghenomen es ende men hem noch of nemen wille, dat setten wi ende houdent ane minen here.

5. Item van Dieric uten Ride, dat setten wi op des rentemeisters verclaersen na den vorwaerden die hi jeghens hem ghemaket hevet.

6. Item segghen wi dat Hughe die Starke ende Wilof onderlanc besceyt nemen zullen alse van der costerien daer si omme twien, bi den deken ende bi horen scoute.

7. Item segghen wi dat Lovetuyt noch te ghizel varen zal sonder vertrecken te Haerlemv''', alse wi naesten hem gheseghet hadden, ende bevelen den baeliu dat hiet hem doe doen.

8. Item zullen die moniken van Hemelomw''' die kerken van Oestwoude weder doen besinghen in alsulker manieren x''' alse haer Dieric van Outshorney''' ghesproken hevet.

9. Item segghen wi dat Wouter van Egghemondez''' Harkea Reynarsb sone sine hofstede rumen zal in zulkenc manieren alse mijn here die graved ende mijn here Jan jeghens Wouter ghesproken hebben, ende dat Wouter mijns heren Jans luden doen zal ghelike dat mijn herene Jan Wouter doen sal ende sinen luden.f

10. Item segghen wi dat Heynikaiensg Ecken soens mombaer hem sijn havelike goet wel versekeren zal alse dattet kint weder hebben mach alset toet sinen daghen comt; ende en wil hies niet versekeren, so sullen die maghe enen manne daer toe setten van sijns vader ende enen van sire moeder weghen, die tkint ontfaen ende dat goet versekeren alset voerscreven es. Ende des ghelike segghen wi van allen ommondighen kinderen die nu sien of hier namaels wesen zullen binnen den lande van Vriesland, dat die mombaeren den kinderen hare havelike goet versekeren of tuyeh mannei van horen maghen, alset voerscreven is.j

11. Item segghen wi dat die baeliu Dibboudes, die Gherbrandk Avetaets soen heynste sloech, seker wesen zal ter tijd toe dat hi minen here ende Gherbrandl Avetaets soens, die in mijns heren dienste, ghenoech ghedaen hevet ende Gherbrandm sinen heinste verghouden.

12. Item segghen wi dat haer Dieric van Outshorne bescheyden zal tuschen Nannekinn ende Ziveken van Edaerts woudeo. Item zal hi enden tusken Ludekenp ende Wibrandq alse van den parlemente van Abben den Borghenare. Item van Nanning Elmans sone ende siere niften na der wareyden die hi daer of ghevonden heeft. Item dat hi Gheysenr van Kuenreziele bescheyt ende recht doe hebben van Wicgher van Westwoude alse van den ghelde dat hi haer sculdich soude wesen. Item zal hi bescheyden mit den scepen van Medemblijcs dat parlement tusken Harken den smit ende Martijn Claist sone ende Barintu Pieters sone na der wareyt die hi daer of vinden zal.v Item zal die baeliu Pieter Boyen also goet hebben dat hi Sticken Ludaert Bienekiaensw sones soen bescheyt doe van den ponde dat hi hem eyschendenx es van siere zuegher weghen. Item zal hi Themmelen recht doen hebben van Voppen Wittemaers sone alse van den XXII scellingen die hi hair sculdich was ende van der cracht die hi haer dede. Item want Mathijs kent dat Roemer ende Vevont III½ lb. ghebreken van Fokelen alse van borchs hand, dat haer Dieric van Outshorney hem die inpande alse verre alse hiet ter wareyde vernimt dat sise hem niet betaelt en hevet. Item zal haer Dieric voers. den ghenen die haer harnaske te Roremonde verloren ende van der meenten weghen voeren ende noch onverghouden es haren scade ghelden doen alse hem redeliken dunct, want elwaer verghouden es. Item zal die baeliu Yeghen van Wiedenessez bescheyt doen hebben van Grote Reynekena' also alset in die ander reyse ghesproken was. Item zal die baeliu ende die dijcgrave versien tusken den buren van den Oestende van Zuaech ende Rikewiardeb' Boyleec', Doedinghe ende Claisd' Bruenoghen erfnamen alse van den lande ende den dike dat leghet buten Zuaech ende si ghecoft hebben omme XXX lb., ende daer een bescheyt of maken.e' Item zullen haer Dieric van Outshornef' ende haer Lambrechtg' bescheyden tusken heren Doedenh' van Herch den priester ende Tembela, alse van den tuyeni' coyen die hi haer ontfoerde in Oesterland.

13. Item segghen wi dat Jacob Coppaertsj' sone van Bochsweudek' quite scelde Emmen van den ponde dat hi op hem ghewonnen hevet alse van der scade die hem Emme ghedaen soude hebben ter wilen doe hi van mijns heren weghen in sine goede gheset was; ende oec willen wi dat men hem daer of niet meer omme en moye.

[f. 11r] 14. Item segghen wi dat Jan van Berghen bescheyt zal doen hebben den wive van Nieweboxwoude van haren goede tote Heylighe loe; ende die baeliu van Medemblijcl' zal haer besceyt doen hebben van Coppaerdm' Hillenn' sone alse van haren goede dat hi onder hebben soude.

15. Item van den pape alsulc ghebreco' als si hebben an mijns heren lude ende die lude weder an den papen, dat setten wi ane minen here den gravep'.

16. Item van den ghebroeke dat Wouter die Vriese hevet van der vischerie, dat houden wi an minen here.

17. Vord verbieden wi bi der pene van tien ponden dat noch scoute noch scepen noch en ghien waerlijc man en dele mit den proest noch mit sinen boden van enighen zene of van enighen gheesteliken rechte; ende so wie dat dede ende also dicke als hiet dede, die verboerde die pene van tien ponden also dicke als hiet dede.

18. Item van Dieric van Bievenvliet houden wi ane minen here.

19. Item van Witte Boye te Winkelq' setten wi ane Mathijs ende ane Aernde van den Dorpe dat si ondervinden of sine broke alsulc is als Heye van Winkel over hem gheclaecht hevet; ende vinden si eene broekich, dat sien in den stiene legghen ter tijd toe dat hiet verbeterd hevet.

20. r' Item dat Mathijs dien van Winkel recht doe hebben alse van den ghene die haren dijc ghenomen hadden te maken an heren Hughen dijc, daer si XII lb. of ghaven ende XII lb. te scade of namen.

21. Vord segghen wi dat die dijcgrave ende die hiemraet bescheyden zullen tusken dien van Opmeer ende Jan Aelbrechtss' sone alse van den tuy die si onderlanghe hebben van den ghelde van der sluze.t'

22. Item segghen wi dat alle die ghene die in Vriesland wonen ende tappen willen of ghetapt hebben, betalen den rentemeister mijns heren tollen.

23. Vord segghen wi dat haer Dieric van Outshorne ende haer Lambrechtu' die wareyde ondersoeken zullen tusken die van Westwoude ende heren Pieter haren prochipape alse van der zuare crone die si over hem ghecroent hebben; ende alsulke wareyde als si daer of ondervinde, die zullen si mijn here den grave of ons ane brenghen.

24. Item van den rentemeister ende dien van Berssingher hornev', so scelt die rentemeister quite tland dat si hem gaven, behouden siere handveste die hi hevet van minen here den gravew'.

25. Vord so heeft mijn here van Zuden heren Lambrechtx' bevolen dat hi Reynbout van Nieweny' Niewedorpz' absolviere van alsulker broke als hi misdaen hevet, also verre als hi den pape niet ghewont en hevet.

26. Item segghen wi a'' van Outgher b'' Nannijns sone ende Outgher Jacobs sone ende Harman Voelen sone, die hem sine coyen namen, dat houden wi ane minen here.

27. Vord segghen wi van den plaite tusken Walich van Outdorpe ende Gherbrants Avitetsc'' soens nifte ende al ander plaite van huwelike, dat si daer of besceyt voer dend'' gheesteliken rechte nemen zullen.

28. Vord bidden wi den deken van Kenemaerland dat hi den bueren van Veenhuzene'' besceyt doen hebben van horen pape, daer sie zuaerlike over cronen, ende van ander papen die onder hem wonen ende daer die buren over croenen.

29. Item segghen wi dat Arnoud die Hoesche den buren van Outwodef'' beteren zal den scade die hi hem dede an horen tiende.

30. Vord want wi vele claghen hadt hebben over baeliuwen, dijcgraven, rentemeisteren, scouten ende horen boden die mijn here selve in sine dienste gheset hevet met sinen brieven: die stucken houden wi ane minen here den grave hem selven te besceyden ende te berechten; want wi hopen dat dat hi den luden goet besceyt zal doen hebben.

31. Voerd want wi dien scouten die in Vrieslandg'' noch sien somme alse sculdich vinden alse die die te Leidenh'' te ghizel legghen, so willen wi datse Jan van Polaneni'' ende Enghebrechtj'' uyt borghen ende wel versekeren minen here te beteren hore broke, ende dat si binnen den palen van Vriesland niet en comen voer dat si mijn here ghenoech ghedaen hebben.

IV

k'' Dit es tbescheyt dat die bisscop van Zuden ende anders mijns heren Raet ghemaect hebben alse van den dijc in Vriesland.

1. In den eerste zo zullen die van Gheestman ambochte maken al den dijc die legghen tuschen Oeterleec ende die poerte van Alkemarel'', ende al die Noerdikem'' die leghet tusken den Rekerdamn'' ende Hemelrijcs horne.

2. Vord zullen die van Niewedorp ambochto'' al den dijc maken die leghet tusken den Scagher damp'' diemen hiet Vriesen dijc tote der helfte toe van des Rentemeistersq'' sluze ende den Ouden Leczaterghawechr''; ende die van Scaghen zullen die van Niewedorp helpen ter tijd toe dat si so vercomen sien dat sien selve moghen maken.

3. Item so zullen die van Hoechoutwoder ambocht maken alden dijc die leghet van der helfte tusken des Rentemeisterss'' sluze ende den Ouden Leczaterghawecht'' tote Werfaerds hove toe, ende al dat land dat leghet buten den Zueechdijcu'' dat zal diken ende wateren in Outwouder ambocht, want hier voermaels daer ghedijcv'' ende ghewatert hevet; ende men zal dat land buten der zijtwinde van Spanbroke setten inlichtenw'' hofslach, ende mijn here die grave zel den maten luden van Outwouder ambocht lienen twie hondert pond Hollandsx'', elsen hout mede te copen, die meren binnen mede te bepaleny''.

[f. 11v] 4. Voerd zal die polre van sHeren Hughen coech hem selven diken.

5. Vord so sullen die van Drechterland maken al den dijc die leghet van Werfaerds hove tote den palen toe daer sien nu toe ghedijct hebben, die ghesteken is op Walix dijcz''; ende die drie cochen van Drechterland zullen den Veenhoep versconen ter tijd toe dat die Veenhoep also verbeterd es dat die lude daer of hem selven helpen moghen.

6. Item so zullen die van Hensbroeca''' ende van Opdam ende dat land datmen hiet die Molme ende die Loye maken al den dijc van den pale die ghesteken es in Walinx dijc tote den dike toe van Oterlekeb''', ende daer toe zullen si daer an maken twie hondert roeden van den Oterlijxenc''' dijcd'''; ende die van Hensbroec ende van Opdam zullen maken den wech van den Gouden wale tote Spambrokere''' zijdewinde toe, ende daertoe al heren Beicmaersf''' dijc.

7. Voerd zullen die van Oterlekeg''' maken al dien dijc die leghet van den twien hondert roeden voerscreven toet sHeren Hughen dijc.

8. Item Scaghers dam, diemen hiet Vriesen dijch''', die sel bliven staende als hi te voren staet, ende dien zullen maken die ghene dien te voren plaghen te maken.

9. Vord salmen den Scaderdami''' ende dat daer toe behoerd bi den baeliuwen stoelen op elc kerspel sinej''' grote.

10. Alle stucken voerscreven zullen wesenk''' behouden mijns heren heerlichede ende behouden des lands bederve.

11. Vord so sullen die van Outwouder ambocht hare tochtel''' van haren sluzen beiden buten ende binnen rumen; ende isser enighe sluze die niet orbaerlic en leghet ende die si verlegghen willen, die zullen si verlegghen bi den baeliu, m''' bi den dijcgrave ende bi den hiemraet.

12. Item des ghelike zullen die van Drechterland haer tochten''' van horer sluze rumen, ende haer sluzen verlegghen est dat hem orbaer donct.

13. Voerd alzulke sluzen als in Ursem ghebreken, die segghen wi daer weder te maken bi den baeliu, den dijcgrave ende den hiemraders ten eersten dat die lude vermoghen.

14. Item zo zullen die van Opdam ende van Hensbroec, die Melmeo''' ende die Leye ende Oterlijcp''' ene niewe sluze legghen in Heren Hughen dijc.

15. Vord zullen die van Gheestman ambocht ene niewe sluze legghen te Hemelrijcshorneq''', ende daer toe zullen si ene oude sluze ten Nuwendoren op delven ende die weder legghen te Hemelrijcshorner'''; ende si sullen haer watertochte beide buten ende binnen rumen ghelike die van Houtwoude.

16. Item so sullen die van Niewedorpe noch hebben enen watertocht van achte voeten wiet daerds''' den baeliu, den dijcgrave ende den hiemraet goet donken zal.

17. Vord so wie enen man begrepe ende venghe die ene sluze wijcghede of op sparde, ende dien ghevanghen man den dijcgrave of den baeliu leverde, des soude mijn here die grave ghewaren ende die baeliu of die dijcgrave souden hem gheven een pond.t'''

18. Vord segghen wi dat in elken verendeelu''' van Vrieslandv''' die rike lude den armen haren dike zullen helpen maken ter tijd toe dat die arme lude also vercomen sien dat sien selve maken moghen; ende alman zal ten menen werke comen op den dijc daers hem die baeliu of die dijcgrave vermaent.

19. Vord zullen die baeliu malc in siere baeliuscip mit den dijcgrave ende mit den hiemraet den dijc van Vriesland in elken verendeelw''' elken kerspel sine grote van sinen dike op stoelen, ende elken man in elken kerspel sine grote van sinex''' dike op stoelen, waer dat sies onder hem niet over een dreghen conden.

V

y''' Dit es die dijc dien Willaemz''' veren Bartena soen meten liet in Vrieslandb des dinxendaghes voer midvasten int jaer ons Heren M CCC ende XIX tote des sonnendaghes voer Palmen dach daer nac.

1. Eerst van der Rekerdamme aldaer die van Scoerled an gaen tote den Scargher dame bi Hemelrijxhorne es hi lanc XVIIC gherden ende XXXVI gherden.

2. Item van dane tote an den ouden Scagher dijc bi oestenHarken sloet, is lanc VC LXXXI gherden.

3. Item van dane toet den oestegghe van den wale die leghet bi oesten der Kaense, is lanc f XVIIIC ende LXX gherden.

4. Item van dane tote Heren coech toe an den indijc die gaet after Bersinghehorneg ende an Heren coech, is lanc XC ende XXV gherden.

5. Item van dane toter sluze die in Herenh coech leyt ende tote an Hoechoutwouder ambocht dat gaet daer an, is lanc VIC ende XXXVII gherden.

6. Item van dane an den ouden Lexhedderi ghouwech ende an die oest zide van Heren coech, is lanc VIIIC ende LI gherden.

7. Item van dane an den ouden Spanwael toe, dat is die west egghe van Velseker mere, is lanc XC ende XCII gherden.

8. Item van dane tote den Zande toe, dat es die oest egghe van Velseker mere, is lanc VIIIC ende XIX gherden.

9. Item van dane tote den zuyt egghe van Broeders wale, es lanc XIC gherden ende LXXXII gherden.

[f. 12r] 10. Item van dane toter sluze die after Zoyaerds leyt ende enj die poirte, es lanc VIIC gherdenk ende LXXXI l.

11. Item van dane tote Heren Hughem coech toe, is lanc XIIIC ende LIIII gherden.

12. Item die dijc van Heren Hughen coech is lanc VC ende XVII gherden.

13. Item van Heren Hughen coechn toter Simmelhorneo toe daer die inlaghe ingaet tote Enghuzenp waerd, is lanc XXVIC ende LXX gherden.

14. Item van dane tote den nord ende toe van Enghuzenq, is lanc XCC ende X gherden.

15. Item Oisdorptr van Enghuzens, lanct C ende LXVI gherden.

16. Item van den zuyt ende van Enghuzenu tote Oesterleke mids toe op den dam, is lanc XXIXC ende LXXV gherden.

17. Item van dane toter sluze die bi der kerke leghet te Scellinghoutv ende in die Mere gaet, is lanc XXIIC gherdenw ende XXVIII gherden.

18. Item van dane toter niewer sluze toe te Hoernex bi zudendorp, is lanc XIIIIC gherden.

19. Item van dane tote an den Zagherdamy, es lanc XIIIIC ende IIII gherden.

20. Item van dane tote Aven hornez bi westen des smits huys, is lanc XVC ende XXXIII gherden.

21. Item van dane tote Walinx dike toe, is lanc XVC gherdena' ende LII gherden.

22. Item Walichs dijc van Ursemmerdijc tote halver Misen toe, is lanc IIIC ende V gherden.

23. Item die selve dijc van dane tote Outerlekerdijcb' toe, is lanc I½C gherdenc' ende IX gherden.

24. Item van Walichs dijc tote Heren Hughen dijc, is lanc VIC ende XC gherden ende III voete.

25. Item van dane tote Outorperdijc, is lanc XC ende XX gherden II voete min.

26. Item van Heren Hughen dijc toter sluze te Alkemaerd' toe, is lanc IXC ende LXXX gherden.e'

VI

f' 1. Van dien van Houtwoder ambochtg' es menh' over een ghedraghen dat mijn here sinen open brief hem gheven zal dat so wie die so arm es dat hi sinen dijc niet verwaren ende maken mach, dat die baeliu aldaer mitten hiemraders dien erve gheven zullen den ghemenen kerspel om voerd te gheven den ghenen die macht zullen hebben den dijc te maken ende te verwaren, om des lants orbaer.

2. Item es meni' over een ghedraghen enen brief te makene van Otten an dien van Stavre.

3. Item es menj' over een ghedraghen dat die rentemeisterk' van Kenemaerlandl' ende van Vrieslandm' varen zaln' in Vrieslando' ende palen aldaer alle vischerien met elken baeliu in siere baeliuscip ende metten dijgravep', tusken hier ende sinte Martijnsq' daghe in den winterr'.

4. s'Item zullen die van Scaghet' ende van Niedorpe hare sluze op die vaerd behouden ende hoer land also groet alse siet hebben ghehad hier voermaels; ende die van Gheestman ambocht die en sellen des lants niet ane hem trecken noch ghebruken.

VIIu'

1. v'Dit is dat Houtwouuder ambocht tsamen over een ghedraghen dat so wie die so arm is dat hi sine dijc niet houden en mach, dat die baeliu mitten heemradersw' dat erve gheven zullen den ghemenen kerspel om voers te gheven den ghenen die den dijck welx' bewaren ende maken zal, om orbaers ons lands.

2. Item is over een ghedragen enen brief te maken an dien van Stavren ende van Otthem.

VIII

1. y'Van den scouwe in den Rekerdam die Wouters kinder van Egmonde ghekeerd hebben.

2. Item soe ne willen die van Waterland Scagerdijc niet maken als hi uyt vallet.

3. Item soene willen die van Nyedorpz' niet ten noyt weder op den dijc comen.

4. Item in Drechterland vele ongheherets lands.

5. Item hebber rike lude van Aemstelredam land die niet diken en willen.

6. Item van der scouwe van Urshem.

7. Item diea'' van Scermenb'' ende van Graft en willen horen dijc an Heren Hughen dijc niet maken.

8. Item van scutvie dat des dijcgraven beden ghenomen ward boven des dicgraven kore.

9. Item es vele ghelts gheleghet in Willaemsc'' land van Egghemonde ende in Willaemsd'' land van Scoeten.

10. Item hebben die van Broeke ene sennee'' legghen laten op minen herenref''.

a
C.
b
het opschrift is niet afgemaakt BC; aangevuld door een latere hand (15e-16e eeuw): Ende oock onder andere in wat manieren datmen dycken sall. C.
c
Gherard C.
d
Outshoirne C.
e
Gher’de BC.
f
Medenblic C.
g
of Lovetuyt B; Lovetuych C.
h
lees twi, 'twist'.
i
Wermerhusen C.
j
..grave C.
k
Wout’e BC.
l
Tieman, de i verbeterd uit o C.
m
Will. C.
n
Bairten C.
o
Mathise C.
p
Dier. C.
q
Scagheinghe C.
r
Ghise C.
s
Will. C.
t
Bairten C.
u
lees twyendelen, ‘in tweeën delen’
v
de eerste letter verbeterd uit iets anders B.
w
Winkele C.
x
de laatste letter gecorrigeerd B.
y
Heyke C.
z
geschreven boven coster zonder dat dit laatste woord is gedeleteerd B; prochye C.
a'
Will., toegevoegd in de marge door een andere hand B; Will. C.
b'
de v onzeker B.
c'
Hairlem C.
d'
..grave C.
e'
ghemeen C.
f'
Allairt C.
g'
Stienhuse C.
h'
hierbij in de marge: Nota BC.
i'
Aetsekijn C.
j'
Medenblic C.
k'
Outshoirne C.
l'
in twi die verbeteringen B; twist die C.
m'
Lambr. C.
n'
Wogghenē BC.
o'
Willē B; Will. C.
p'
Manninc C.
q'
Manninc C.
r'
of Sieeinc? B.
s'
Westerbloeweer C.
t'
Wibrant C.
u'
Ludekijn C.
v'
Ludekijn C.
w'
Will. C.
x'
Will. C.
y'
Lambr. C.
z'
Littekebroeke C.
a''
an C.
b''
hier in de marge een kruis B;C.
c''
wier C.
d''
wierdijc C.
e''
scheidingsstreep tussen ghehoeft en slaghede B.
f''
hier in de marge, door latere hand: Nota van dycken C.
g''
Vriesl. B.
h''
lees dat?
i''
Ghise C.
j''
Clays C.
k''
Dunikijn C.
l''
Oirde C.
m''
Gher. C.
n''
Allaert C.
o''
Romikijn C.
p''
de eerste letter onzeker B; Lebaern C.
q''
Voet C.
r''
Enghusen C.
s''
u uit iets anders B.
t''
Martijn C.
u''
Hoirne C.
v''
Will. C.
w''
Diddekijn C.
x''
Will. C.
y''
Holl. BC.
z''
wac met de w mogelijk gecorrigeerd uit v B; vac met de v verbeterd uit w C.
a'''
verbeterd uit elken B; elker C.
b'''
hiernaast in de marge een kruisje B.
c'''
door andere hand bovengeschreven B.
d'''
of te C.
e'''
Heembroke C.
f'''
in de marge: Nota BC.
g'''
k geschreven over geradeerde gh B.
h'''
dairt C.
i'''
Enghusen C.
j'''
Bonikijn C.
k'''
Outorpe C.
l'''
i uit e B.
m'''
Utr. C.
n'''
hier in de marge een streepje B;C.
o'''
verbeterd uit sceyden B; sceyden C.
p'''
Vriesl. B.
q'''
ontbr. C.
r'''
..grave C.
s'''
Lambr. C.
t'''
Mathise C.
u'''
Niewenlande C.
v'''
Hairlem C.
w'''
Hemelem C.
x'''
vanaf hier sprong de kopiist naar een gelijkluidende plek in de volgende optekening, waarna hij later het ontbrekende interliniair toevoegde C.
y'''
Outshoirne C.
z'''
Egmonde C.
a
Herke C.
b
Reynaers C.
c
alsulker C.
d
..grave C.
e
here C.
f
hierbij in de marge een streepje B.
g
Heynek. C.
h
twie C.
i
door een andere hand verbeterd uit maghe B.
j
hierbij in de marge een streepje B.
k
Gherbrant C.
l
Gherbrant C.
m
Gherbrant C.
n
Nannek. C.
o
wonde C.
p
Ludek. C.
q
Wibrant C.
r
Ghisen C.
s
Medenblic C.
t
Clays C.
u
Bairnt C.
v
bij deze of de volgende notitie een streepje in de marge B.
w
Bienekijns C.
x
eyschende C.
y
Outshoirne C.
z
Widenesse C.
a'
Reynek. C.
b'
Rikewarde C.
c'
y in tweede instantie tussengeschreven B.
d'
Clays C.
e'
bij deze of de volgende notitie een streepje in de marge B.
f'
Outhorne C.
g'
Lambr. C.
h'
Doedijn C.
i'
II C.
j'
Coppairts C.
k'
Bochs en weude vrijwel aan elkaar vast, ondanks de ronde eind-s aan het eerste lid BC.
l'
Medenblic C.
m'
Coppaird C.
n'
in de eerste twee letters verbeterd C.
o'
ghebrech met de laatste letter geëxpungeerd B.
p'
..grave C.
q'
Winkele C.
r'
deze notitie niet op een nieuwe regel B.
s'
Alebrechts C.
t'
hierbij in de marge een streepje B.
u'
Lambr. C.
v'
rn verbeterd uit ut B.
w'
..grave C.
x'
Lambr. C.
y'
ontbr. C.
z'
Niewendorpe C.
a''
hier dat, doorgestreept en geëxpungeerd B.
b''
hier een geëxpungeerde bovenschacht B.
c''
onduidelijk; door andere hand verbeterd uit Au[..]aiens (niet geheel leesbaar) B; Avetaets, verbeterd uit Tets(?) C.
d''
doen met de o geëxpungeerd BC.
e''
Veenhusen C.
f''
Outwoude C.
g''
Vriesl. B.
h''
Leyden C.
i''
Pollanen C.
j''
Enghebr. C.
k''
hier in de marge een kruisje B;C.
l''
Alkemair C.
m''
Noirdike C.
n''
Rekerdamme C.
o''
Niewedorperamb. C.
p''
Scagherdam C.
q''
Rent. BC.
r''
Leczat’ gawech C.
s''
Rent. BC.
t''
Leczat’ghawech B.
u''
de eerste e onzeker BC.
v''
ghedijct B.
w''
in lichten C.
x''
Holl. BC.
y''
e en een deel van p vrijwel weggesleten B.
z''
Walixdijc C.
a'''
Henbroec C.
b'''
Ot’leke B; Oeterleke C.
c'''
Ot’lijxen B; Outerlijxen C.
d'''
tote ... dijc interliniair en marginaal toegevoegd C.
e'''
Spanbroeker C.
f'''
de derde letter onzeker: i (vanwege het accent), verbeterd uit r, dat weer een verbetering lijkt uit e (of andersom?) B; Beecmaers C; mogelijk dient hier horen Bercmaers gelezen te worden
g'''
Ot’leke B; Oest’leke met de s waarschijnlijk geëxpungeerd C.
h'''
Vriesendijc C.
i'''
Scad’dam BC.
j'''
al schrijvend verbeterd uit sijn (twee accenten) B.
k'''
de eerste e door beschadiging van het perkament onleesbaar geworden B.
l'''
hair recht C.
m'''
hier ende geëxpungeerd B.
n'''
hare recht C.
o'''
Molme C.
p'''
Ot’lijc BC.
q'''
Hemelrijcs en horne gescheiden, met ertussen een horizontaal streepje, wel om aan te geven dat het één woord betreft BC.
r'''
aaneengeschreven, hoewel de ronde s een woordeinde aangeeft B; Hemelrijcs horne C.
s'''
de aatste letter onzeker B; daert C.
t'''
hierna het begin van de volgende notitie Vord ... elken, doorgestreept B.
u'''
ve’ndeel BC.
v'''
Vriesl. BC.
w'''
ve’ndeel BC.
x'''
al schrijvend verbeterd uit sijn (twee accenten) B.
y'''
hier in de marge het contemporaine nummer 25 B;C.
z'''
Will. BC.
a
Bairten B.
b
Vriesl. BC.
c
dat is tussen 4 en 16 maart 1320.
d
Scoirle C.
e
achter het woord een geëxpungeerde l B.
f
hier XC, geëxpungeerd B.
g
Bersingh’horne C.
h
sHeren C.
i
na de r de aanzet van nog een letter, doorgestreept B.
j
an C.
k
ontbr. C.
l
hier gairden C.
m
Hughen C.
n
Hugh’coech C.
o
Simmel en horne gescheiden geschreven, maar met een horizontaal streepje verbonden B.
p
Enghusen C.
q
Eghusen C.
r
O onzeker (E?), een puntje onde de i (geëxpungeerd?) B. Jasdorp C.
s
Enghusen C.
t
ontbr. C.
u
Enghusen C.
v
Scellinchoute C.
w
ontbr. C.
x
Hoirne C.
y
een gebogen haaltje schuin boven de eerste a lijkt geen betekenis te hebben B.
z
Avenhorne C.
a'
ontbr. C.
b'
Out’lekerdijc B; Out’leker dijc C.
c'
ontbr. C.
d'
Alkemair C.
e'
op een inliggend strookje papier noteerde de 15e-eeuwse hand die ook veel van de opschriften schreef de som van de opmeting: Facit tsamen XXXIM IIIC XXVII gherden V voeten B.
f'
hier in de margeC.
g'
Houtwoud’amb. C.
h'
esmen, maar de ronde s wijst op een woordeinde B.
i'
esmen, maar de ronde s wijst op een woordeinde B.
j'
esmen, maar de ronde s wijst op een woordeinde B.
k'
de derde e onzeker, gecorrigeerd B.
l'
Kenem’l. C.
m'
Vriesl. C.
n'
varen zal toegevoegd door andere, contemporaine hand B.
o'
Vriesl. C.
p'
dijcgrave C.
q'
M’tijns B.
r'
11 november.
s'
de volgende notitie doorgeschreven achter de voorafgaande, mogelijk om ervoor te zorgen dat het geheel nog op de bladzijde zou passen C.
t'
Scaghen C.
u'
de volgende nummers VII en VIII ontbr. C.
v'
in deze twee notities, die overigens een herhaling zijn van nummers VI1-2 hierboven, is veel van de tekst door een 16e-eeuwse hand overgetrokken, blijkbaar niet steeds geheel volgens de originele lezing, die toen wel al deels weggesleten was B.
w'
de a onzeker B.
x'
lezing onzeker B.
y'
van het volgende is met name aan de linkerzijde van de notities 1-5 veel tekst vrijwel weggesleten, maar onder UV-licht is het meeste nog net leesbaar B.
z'
de d niet zeker B.
a''
vrijwel onleesbaar vanwege een inktvlek B.
b''
Scermē B.
c''
Will. B.
d''
Will. B.
e''
‘oordeel’?
f''
here?; herēre B.
Namen:
Trefwoorden: