Ghijsen, Hendrika Catharina Maria (1884-1976)

 
English | Nederlands

GHIJSEN, Hendrika Catharina Maria (geb. Middelburg 22-11-1884 gest. Middelburg 25-3-1976), literatuurhistorica en Zeeuws lexicografe. Dochter van Carolus Matheus Ghijsen (1845-1923), houtkoopman, en Petronella Susanna Jeanette Proos (1849-1935). Rika Ghijsen bleef ongehuwd.

Rika Ghijsen was de jongste van drie kinderen. Met haar twee broers – een derde broer was voor haar geboorte overleden – groeide ze op in Middelburg, in een welgesteld, sociaalliberaal milieu waar veel aandacht was voor natuur en cultuur. Haar vader was een houtkoopman met een brede belangstelling – hij was voorzitter van de Kamer van Koophandel in Middelburg en later directeur van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. De zomers bracht het gezin door in Domburg, waar het een riant buitenhuis bezat: De Lijsterhof. Na de middelbare meisjesschool en anderhalf jaar privéles Grieks en Latijn doorliep Rika de bovenbouw van het gymnasium. Van 1905 tot 1913 studeerde ze Nederlands en geschiedenis in Leiden. Ze woonde er in een kosthuis en was lid van de Vereeniging voor Vrouwelijke Studenten te Leiden (VVSL). Even overwoog ze zanglerares te worden. Op aanraden van haar moeder maakte ze toch haar studie af.

Zeeuwse vrouwen en dialecten

Met een toelage van haar ouders begon Ghijsen in 1913 aan een promotieonderzoek naar de eveneens op Walcheren geboren Betje Wolff. Ze wilde naar eigen zeggen vooral de misverstanden rechtzetten die ze in de in 1913 verschenen Wolff-biografie van Johanna Naber aantrof. Volgens haar had Naber ‘niets’ van Betje Wolff begrepen omdat ze geen goed begrip had van de tijd waarin deze had geleefd (De Bruin, 84). In de jaren 1914-1918 was Ghijsen veel in Zeeland om hulp te verlenen aan Belgische oorlogsvluchtelingen. Zodoende voltooide ze pas in 1919 haar proefschrift over jeugd en huwelijksleven van Wolff en promoveerde ze cum laude bij Gerrit Kalff.

Na een mislukte sollicitatie bij de Zeeuwse Provinciale Bibliotheek besloot Rika Ghijsen haar leven aan zelfstandig onderzoek te wijden – dankzij het familievermogen was ze financieel onafhankelijk. In 1919 trok ze weer in bij haar ouders, die zich in 1920 blijvend vestigden in hun buiten in Domburg. Na de dood van haar vader (1923) woonde ze er samen met haar moeder en na de dood van haar moeder (1935) bleef ze er alleen wonen – ze kreeg regelmatig gezelschap van haar getrouwde broers en hun kinderen. ‘Tante Rika’ schreef hier in haar ruime studeerkamer een reeks artikelen over niet alleen Wolff en haar latere levensgezellin Aagje Deken, maar ook over bij voorbeeld Anna Maria van Schurman, die ze in 1926 in De Gids karakteriseerde als een ‘feministe en humaniste’.

In de jaren twintig raakte Ghijsen betrokken bij het dialectonderzoek van de Nijmeegse hoogleraar Jacobus van Ginneken. Op zijn verzoek verzamelde ze oude Zeeuwse teksten, die ze ook van commentaar voorzag. Van Ginnekens project ‘De Nederlandse dialecten in de loop der eeuwen’ bleek echter niet levensvatbaar omdat er nog geen eigentijds basisbestand van dialectwoorden en -uitdrukkingen was. Toen in 1929 de Zeeuwse Vereniging voor Dialectonderzoek werd opgericht om een Zeeuws woordenboek samen te stellen, nam Ghijsen het secretariaat op zich. In 1932 presenteerde ze op het elfde Vlaamse filologencongres in Gent haar eerste onderzoeksresultaten over het klankstelsel en de grammaticale eigenaardigheden van het Zeeuws. Het werk aan het woordenboek werd ernstig vertraagd door de Tweede Wereldoorlog. Bij de grote stadsbrand in Middelburg op 17 mei 1940 ging het hele kaartbestand voor de letters a tot en met g verloren en het contact met de plaatselijke informanten was lastig vanwege de oorlogsomstandigheden.

Dapper vrouwenleven

Toen een deel van Walcheren in de winter van 1944-1945 werd ontruimd, moest Ghijsen haar huis in Domburg verlaten. Ze vond tijdelijk onderdak in Utrecht. Tijdens gesprekken met de hoogleraren De Vooys, Brom en Romein rijpte bij haar het plan om een nieuwe biografie van Wolff en Deken te schrijven. Onder de titel Dapper vrouwenleven verscheen deze in 1954, het jaar waarin Wolffs honderdvijftigste sterfdag werd herdacht. Voor de herdenking in Wolffs geboorteplaats Vlissingen maakte Ghijsen bovendien onder de titel Daatje Leevend een toneelbewerking van de briefroman Willem Leevend. Vijf jaar later publiceerde Ghijsen over Zeeuwse woorden en zinswendingen in het werk van Wolff.

Onder Ghijsens naam als samenstelster verscheen in 1964 het Woordenboek der Zeeuwse dialecten. Hierin had ze ingevulde vragenlijsten verwerkt van zeshonderd informanten uit Zeeuws-Vlaanderen, de Zeeuwse eilanden en Goeree-Overflakkee. Voor dit werk werd ze benoemd tot erelid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Het bedrag van de ANV-Visser-Neerlandiaprijs die ze in 1963 had ontvangen, besteedde ze geheel aan de publicatie van het Woordenboek.

Rika Ghijsen bleef tot op hoge leeftijd onderzoek doen naar literaire vrouwenlevens en naar de Zeeuwse dialecten. Ze had een ijzeren discipline. Iedere middag om klokslag twaalf verliet ze haar schrijftafel met een transistorradio onder de arm om beneden in de keuken of de tuin naar de nieuwsberichten te luisteren. In februari 1976 kwam ze daarbij zo ongelukkig ten val dat ze zes weken later in het ziekenhuis in Middelburg overleed, in de ouderdom van 91 jaar. Na haar dood werd naast haar schrijfmachine een concept-aanvulling aangetroffen op haar pas verschenen artikel over fouten in de uitgave van de briefwisseling tussen Wolff en Deken.

‘Ghijsen in beeld’

In 1954 maakte Rika Ghijsen indruk met haar Dapper vrouwenleven. De kritieken waren lovend, al vond J.C. Brandt Corstius dat ze te weinig oog had voor de Europese context waarin Wolff en Deken schreven (gecit. Altena, 106). Ze werd nog in datzelfde jaar Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1957 ontving ze de Zeeuwse Prijs voor Kunsten en Wetenschappen, die dat jaar voor het eerst werd uitgereikt. Nog meer naam maakte Ghijsen met haar Woordenboek van Zeeuwse dialecten, dat acht keer is herdrukt. Collega Piet Meertens zag er het ‘gehele Zeeuwse leven’ in weerspiegeld (gecit. Levensberichten, 71).

Het motto van Hendrika Ghijsen was: ‘niet klakkeloos aannemen wat anderen zeggen, maar zelf nadenken en je afvragen “waarom wordt dat gezegd?”’ (gecit. Levensberichten, 70). Ze werkte hard en consciëntieus, maar leefde niet als een kluizenares. Ze musiceerde veel, was actief in het Zeeuwsch Genootschap en de Domburgse Winterclub en lid van de Zeeuwse Culturele Raad, de Vereniging van Vrouwen met Academische opleiding (VVAO) en de Soroptimistclub Walcheren). In het jaar van haar dood werd een extra nummer van het Zeeuws Tijdschrift gewijd aan haar nagedachtenis. Twee jaar later bezorgde de Middelburgse bibliothecaris Marinus de Bruin een uitgave van Ghijsens met gevoel voor humor geschreven autobiografische aantekeningen en in 1979 werd ze herdacht als de ‘ziel’ van de vijftigjarige Zeeuwse Vereniging voor Dialectonderzoek. In 2015 werd op initiatief van de werkgroep Ghijsen in Beeld haar door Leendert Houtekamer vervaardigde standbeeld onthuld in het plantsoen aan de Schelpweg in Domburg.

Naslagwerken

Levensberichten.

Archivalia

Zeeuwse Bibliotheek, Middelburg: collectie dr. H.C.M. Ghijsen (1884-1976).

Publicaties

Een selectie:

  • Betje Wolff in verband met het geestelijk leven van haar tijd. Jeugd en huwelijksjaren (Rotterdam 1919).
  • ‘Anna Maria van Schurman 1607-1678’, De Gids 90 (1926) nr. 1, 380-402 en nr. 2, 105-128.
  • Dapper vrouwenleven. Karakter- en levensbeeld van Betje Wolff en Aagje Deken (Assen 1954).
  • ‘Zeeuwse woorden en wendingen bij Elisabeth Wolff-Bekker’, Taal en Tongval 11 (1959).
  • Woordenboek der Zeeuwse dialecten (Den Haag 1964) [8 herdrukken].
  • Herinneringen. Autobiografische aantekeningen, M.P. de Bruin red. (Middelburg 1978).
  • ‘Twijfelachtige dateringen en andere onnauwkeurigheden in Dyserinck’s uitgave der brieven van Betje Wolff en Aagje Deken’, Documentatieblad Werkgroep 18e eeuw 30 (1976) 38-42.

Voor volledige bibliografie, zie Herinneringen (1978).

Literatuur

  • J.C. Brandt Corstius, ‘Een Hollandse huiskamer in de achttiende eeuw’, Nieuwe Taalgids 47 (1954) 305-310.
  • ‘Hendrika Catharina Maria Ghijsen: Middelburg 1884-Domburg 1976’, Zeeuws Tijdschrift 26 (1976) [extra-nummer met vier bijdragen].
  • Elisabeth M.G. Jongma, Vrouwenschiereiland. Professionele vrouwennetwerken in het leven van dr. H.C.M. Ghijsen (1884-1976) (Middelburg 1995).
  • A. Teunis en M.P. de Bruin red., Encyclopedie van Zeeland (Middelburg 1982-1984).
  • Peter Altena, ‘De vele levens van Betje Wolff en Aagje Deken. Over Dapper vrouwenleven (1954) van H C.M. Ghijsen en Wolff & Deken (1984) van P.J. Buijnsters’, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 27 (2004) 95-112.
  • Johan Francke, Inventaris van de collectie dr. H.C.M. Ghijsen (1884-1976). Correspondentie, verenigingsleven, aantekeningen over Betje Wolff en Aagje Deken en het Zeeuws Woordenboek (Middelburg 2014).
  • ‘Borstbeeld Rika Ghijsen in Domburg onthuld’, Provinciale Zeeuwse Courant, 19-9-2015.

Illustratie

Promotie van Rika Ghijsen met haar paranimfen. Links Bea Immink en rechts Lien de Josselin de Jong - van den Hoek. Door onbekende fotograaf, 1919 (ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland / Beeldbank Zeeland).

Auteur: Kees Kuiken

laatst gewijzigd: 09/10/2017