Partini (1902-1998)

 
English | Nederlands

PARTINI, vooral bekend als Partini Djajadiningrat, ook bekend onder de schrijversnaam Arti Poerbani (geb. Solo, Nederlands-Indië 15-8-1902 gest. Jakarta 1998), vorstendochter, schrijfster en sieraadontwerpster. Dochter van Soerjosoeparto (1885-1944), vanaf 1916 Mangkunegoro VII, vorst van Mangkunegaran, en Mardewi (ca. 1886-?). Partini trouwde op 9-1-1921 in Solo met Hoesein Djajadiningrat (1886-1960), hoogleraar Islamitisch recht, Javaans, Maleis en Soendanees. Uit het huwelijk werden 3 dochters en 3 zoons geboren.

Partini werd geboren als oudste dochter van Raden Mas Haryo Soerjosoeparto en diens selir (concubine) Mardewi. Ze zou van vaderszijde drie halfbroers en drie halfzusters krijgen. Kort na Partini’s geboorte verliet haar zestienjarige moeder het hof in Solo, waarna vader Soeparto, zeventien jaar oud, Partini toevertrouwde aan zijn oudere zuster. Hij kreeg pas belangstelling voor zijn dochter toen ze een kleuter was. Zo leerde hij haar Nederlands en stuurde haar naar een Nederlandse kleuterschool, een Fröbelschool. Geïnspireerd door de idealen en geschriften van Raden Adjeng Kartini trachtte hij deze in Partini’s opvoeding te realiseren. Ook was hij betrokken bij de oprichting van Boedi Oetomo (Het Schone Streven), een vereniging die westerse kennis onder het Javaanse volk wilde verspreiden met behoud van de eigen Javaanse cultuur. Toen Soeparto in 1913 colleges ging volgen aan de Leidse universiteit, bleef Partini achter onder de hoede van twee selirs.

Vorstendochter en echtgenote

Problemen met de erfopvolging in het vorstendom Mangkunegaran brachten haar vader, tot blijdschap van Partini, eerder terug dan verwacht. Toen hij in 1916 formeel vorst Mangkunegoro VII werd, brak voor haar een geheel nieuw leven aan. Partini genoot van haar positie als de voorlopig enige dochter van de zittende vorst. Na de lagere school slaagde ze voor het ‘klein ambtenaar’-examen. Ze raakte gewend aan een divers gezelschap van gasten: schrijvers, kunstenaars, wetenschappers en bestuursambtenaren. Het hoogtepunt van haar vaders streven oosterse en westerse wetenschap bij elkaar te brengen was het Java-Congres in 1919, onder voorzitterschap van dr. Hoesein Djajadiningrat, de eerste gepromoveerde Indonesiër. Partini was een van de deelnemers. Na afloop werd zij in Batavia uitgenodigd bij Nederlanders die ze tijdens het congres had ontmoet. Zo leerde zij de wereld buiten het hof en het leven van Nederlandse gezinnen kennen. In 1921 trouwde zij op negentienjarige leeftijd met de zestien jaar oudere Hoesein Djajadiningrat. Het paar vestigde zich in Batavia, waar Djajadiningrat in 1924 hoogleraar Islamitisch recht, Javaans, Maleis en Soendanees werd aan de Rechtshogeschool in Batavia. Tussen 1921 en 1928 werden zes kinderen geboren. Na de geboorte van de twee jongste zonen, een tweeling, keerde Partini’s moeder terug naar het hof om voor een van hen te zorgen naar Javaans gebruik werd de tweeling gescheiden. Partini’s zoontje kwam als vierjarige terug in het gezin.

Aanvankelijk moest Partini wennen aan de gewoontes van de familieleden van haar man. Zij waren afkomstig uit Banten, in het noordwesten van Java, waar de islam een grotere rol speelde dan in de Midden-Javaanse hofcultuur. Na het beschermde paleisleven in Solo moest zij in haar gehuwde staat als een soort duizendpoot een rol vervullen in het moderne Batavia, met zes eigen kinderen en ook nog eens inwonende neven en nichten die in Batavia naar school gingen. Het sociale leven was druk en divers, maar Partini genoot ervan. Ze werd geen namaak-Hollandse, maar voerde haar huishouden op haar eigen manier, alsof het een dependance was van de Astana (het paleis) in Solo. Haar diners waren geliefd bij de Nederlandse collega’s van haar man en hun echtgenotes. Partini en haar man hadden het niet breed: als ‘inlander’ verdiende Djajadiningrat, vanaf 1935 ook lid van de adviserende Raad van Nederlandsch-Indië, slechts een derde van het inkomen van zijn Nederlandse collega’s. Vaak moest Partini’s vader financieel bijspringen.

Schrijfster

Eind jaren dertig begon Partini aan een roman, omdat ze in het op het westen georiënteerde Batavia het culturele leven van haar jeugd miste: de verhalen en sprookjes die verteld werden, de dans en de muziek, de wayangvoorstellingen, de kunstenaars en schrijvers die bij haar vader langskwamen. Haar vader reageerde met de woorden: ‘Durf het niet te proberen’ en ook haar man zag er niets in, maar ze gaf het plan niet op. Na de moeilijke oorlogsjaren, zowel in politiek opzicht als in het dagelijkse leven, besloot Partini haar boek af te schrijven en het onder het pseudoniem Arti Poerbani te publiceren: Widijawati. Het Javaanse meisje, opgedragen aan haar in 1944 overleden vader, verscheen in 1948 in Amsterdam. Diet Kramer corrigeerde Partini’s Nederlands. Het boek gaat over een Midden-Javaans meisje dat tijdens haar onderwijzeressenopleiding in Batavia inwoont bij een Nederlands gezin en over de moeite die zij heeft beide werelden in haar leven te integreren. Vanaf 1949 volgden vier drukken in het Indonesisch, de laatste in 1982. Widijawati werd op Indonesische middelbare scholen gebruikt als leesboek.

Omdat het salaris van Partini’s man als secretaris van het ministerie Kunsten en Wetenschappen van de nieuwe Republiek en later als hoogleraar mager was en de inkomsten uit haar boek nihil waren, begon Partini sieraden met imitatiediamanten te ontwerpen. Daar bleek een goede markt voor, want veel mensen hadden in de oorlog hun sieraden moeten verkopen. Een tentoonstelling met haar ontwerpen trok veel belangstelling.

In 1948 maakte Partini haar eerste buitenlandse reis toen haar echtgenoot werd uitgenodigd als voorzitter van de Indonesische delegatie aanwezig te zijn bij de kroning van koningin Juliana. Na de dood van haar man in 1960 volgden nog twee reizen, waarbij zij haar oude Nederlandse vrienden opzocht. Op aandringen van haar Indonesische uitgever, Balai Pustaka, schreef Partini in de loop der jaren nog een aantal korte verhalen, die uitkwamen onder de titels Hasta Cerita (1971), Sepasar Satu Malam (1971), Ande-ande Lumut (1976) en de novelle Tunjung Biru (1985). In 1986 verscheen het autobiografische Partini, Recollections of a Mangkunegaran Princess, verteld aan Roswitha Pamoentjak Singgih.

Partini Djajadiningrat stierf in 1998 in Jakarta.

Partini Djajadiningrat was een vrouw van vele werelden: dochter van een selir, dochter van een vorst, echtgenote van een wetenschapper en hoge ambtenaar, moeder van zes kinderen, grootmoeder van achttien kleinkinderen en vriendin van vele Indonesiërs en Nederlanders. Van allen en alles heeft zij gehouden, maar trots was zij vooral op het geesteskind dat zij onder haar pseudoniem Arti Poerbani naliet: Widijawati en de andere verhalen die zij ondanks het gebrek aan steun van haar vader en man toch heeft geschreven.

Archivalia

Archief Madelon Djajadiningrat: brieven (o.a. aan A.D. van Mook-Maureau, 1963), persoonlijke gesprekken, interviews etc. (zie documentatie Djajadiningrat 2006).

Publicaties

Onder het pseudoniem Arti Poerbani:

  • Widijawati. Het Javaanse Meisje (Amsterdam 1948).
  • Widyawati (Jakarta 1949).
  • Hasta Cerita (Jakarta 1971).
  • Sepasar Satu Malam (Jakarta 1971).
  • Ande-ande Lumut (Jakarta 1976).
  • Tunjung Buru (Jakarta 1985).
  • [Met Roswitha Pamoentjak Singgih], Partini, Tulisan Seorang Putri Mangkunegaran/Recollections of a Mangkunegaran Princess (Jakarta 1986).

Literatuur

Madelon Djajadiningrat, Vorst tussen twee Werelden (Schoorl 2006).

Illustratie

Partini Djajadiningrat, door onbekende fotograaf, ongedateerd (particuliere collectie).

Auteur: Madelon Djajadiningrat-Nieuwenhuis

laatst gewijzigd: 13/11/2017