Thung, Sin Nio (1902-1996)

 
English | Nederlands

THUNG, Sin Nio, in Nederland vooral bekend als Betsy Thung (geb. Batavia, Nederlands-Indië 22-5-1902 – gest. Eindhoven 5-1-1996), econome, arts, feministe en politica. Dochter van Thung Bouw Kiat (1863-in of na 1916), politicus en plantage-administrateur, en Tan Toan Nio (1883-vóór 1924). Betsy Thung bleef ongehuwd.

Betsy Thung (spreek uit: Theung) werd geboren als zevende in een gezin van acht kinderen. Haar Chinese voornaam betekent ‘nieuwe bruid’. Thungs familie was ooit vanuit Hua’an in de Chinese provincie Fujian naar Java geëmigreerd en behoorde tot de elite van goed geassimileerde ‘oudkomers’ ('peranakan' in Batavia. Haar vader was in 1909-1914 gemeenteraadslid van Batavia en in 1915-1916 administrateur (bedrijfsleider) van een plantage (Adresboek).

Studie en engagement

Toen Thung na de dood van haar ouders min of meer financieel onafhankelijk was, haalde ze eerst een boekhouddiploma en in 1924 de onderwijzersakte aan de Hollands-Chinese School in Batavia. Op 15 oktober 1924 begon ze haar studie aan de Economische Hogeschool te Rotterdam, waar ook Willemien van der Goot studeerde. Nadat ze in 1926 de Herinneringen van dr. Aletta H. Jacobs cadeau had gekregen, nam ze onmiddellijk contact met de schrijfster op en werd ze lid van de Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap (VVGS). Ook was ze actief in de Chinese studentenvereniging Chung Hua Hui Nederland.

In 1929 reisde Thung voor de bruiloft van haar zuster Eng Nio terug naar Batavia. Een jaar later stichtte ze in het chique Welgelegen (bij Batavia) het Eerste Chinese Meisjesinternaat, een instituut dat de weerstand van Chinese families tegen studerende dochters moest wegnemen. Teruggekeerd in Nederland slaagde ze in 1932 voor haar doctoraalexamen economie in Rotterdam en haar propedeuse geneeskunde aan de Gemeente Universiteit in Amsterdam. Na haar artsexamen (1938) keerde ze opnieuw terug naar Batavia. Ze organiseerde er informele etentjes (‘hutspotclubs’) voor vrouwen met verschillende achtergronden en sloot zich aan bij de in 1908 door Charlotte Jacobs opgerichte Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VVV). In 1940 deed Thung intensief mee aan de acties voor actief vrouwenkiesrecht van onder meer de VVV en de in 1938 opgerichte Chinese Vrouwenbond: ze haalde naar eigen zeggen ‘op mijn dooie eentje duizenden handtekeningen op’.

Hoewel Thung vanaf 1939 in Batavia een privé-artsenpraktijk moet hebben gehad, vermeldt het officiële Indische Adresboek in 1941 alleen een ‘mej. B. Thung, gedipl. vakonderwijzeres’ aan de Huishoudschool te Soekaboemi. Ze gaf daar enige jaren lessen gezondheidsleer en kinderverzorging. Thung was tevens medisch adviseur voor het progressieve Maleistalige vrouwentijdschrift Maandblad Istri (Chan, 57, 61). Nadat alle Europese artsen van Batavia in 1943 door de Japanse bezetter waren geïnterneerd, opende ze daar het San Te Ie Juen, een privékliniek voor de betere standen waar ze naar eigen zeggen ‘arts, hoofdverpleegster en psychiater tegelijk’ was.

In 1947 werd Thung schoolarts. Voor het Instituut voor Volksvoeding mat en woog ze schoolkinderen in Batavia (Luyken, 33). Een jaar later werd ze actief in de Chinese Unie (PT), de voorloper van de in 1950 opgerichte Democratische Chinese Partij van Indonesië (PDTI). Van 1949 tot 1951 zat ze als eerste vrouw in de gemeenteraad van Jakarta.

Ook als econome zette Thung zich in voor het inmiddels onafhankelijke Indonesië. In 1952 reisde ze met de Indonesische delegatie naar de Internationale Economische Conferentie in Moskou. In 1955 en 1965 bezocht ze China. De staatsgreep van 1965 maakte een einde aan haar publieke activiteiten. In 1968 eiste het militaire bewind dat Chinezen een Indonesische naam aannamen. Ze weigerde en vertrok naar Nederland. Hier werd ze in 1972 als ‘spijtoptant’ genaturaliseerd. In Eindhoven werkte ze nog enige jaren als instellings- en verpleeghuisarts, tot ze in 1974 recht kreeg op AOW. In 1978 reisde Thung opnieuw naar China, dat ze in interviews als het Beloofde Land voor de vrouwenemancipatie voorstelde. Op 29 april 1983 werd ze op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau als ‘een van de grote voorvrouwen van de Eerste Emancipatiegolf’. Haar verdiensten werden vergeleken met die van de eerder onderscheiden Willemien van der Goot. Sin Nio Thung overleed in januari 1996, bijna 94 jaar oud.

Reputatie

De reputatie van Thung Sin Nio in de geschiedschrijving van de Nederlandse vrouwenbeweging berust vooral op interviews. Daarin deed ze bepaald niet bescheiden over haar afkomst en haar eigen rol in de vrouwenbeweging in Nederlands-Indië. Toen ze in 1935 in Utrecht logeerde bij haar nichtje Rika Tio, werd ze door Tio’s huisgenote omschreven als ‘een moederlijke vrouw die soms preekte als een dominee’ (Blussé, 160). De historicus Leo Suryadinata nam haar op in zijn overzicht van ‘prominente’ Indonesisch-Chinezen. In een recente geschiedenis van haar stamstreek in China staat ze onder het kopje ‘streekgenoten overzee’ te boek als ‘sociaal activiste’ (Zhangzhou, 2786). Thung liet zich in de interviews en in haar eigen aantekeningen kennen als een kritiekloos bewonderaar van Mao en het communisme. De felle kritiek van Renate Rubinstein en anderen in de Nederlandse pers op ‘political pilgrims’ zoals zij, ging langs haar heen.

Archivalia

  • Atria, Amsterdam: toegang 167 (archief Betsy Thung Sin Nio 1926-1982).
  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: persoonskaart Thung, Sin Nio.
  • Eindhoven: archief Kabinet van de Burgemeester.

Literatuur

  • Naamlijst Nederlandsche Handels-Hoogeschool en Nederlandsche Economische Hoogeschool te Rotterdam 1913/1914 – 1 jan. 1940 (Rotterdam 1940).
  • R. Luyken, ‘Afdeling bijzondere onderzoeken’, Supplement bij het Medisch Maandblad 2 (1949) 31-36.
  • Stadskroniek van Zhangzhou 4, (Peking 1994).
  • H. van Buuren, ‘Thung Sin Nio, feministe van de eerste golf’, De Nieuwe Linie 23-6-1976, 3.M. Borkus e.a., Vrouwenstemmen: 100 jaar vrouwenbelangen, 100 jaar vrouwenkiesrecht (Utrecht 1994).
  • F. Chan, ‘Chinese women’s emancipation as reflected in two Peranakan journals (c. 1927-1942)’, Archipel 49 (1995) 45-62.
  • L. Suryadinata, Prominent Indonesian Chinese. Biographical sketches (Singapore 1995).
  • S. Blackburn, ‘Political relations among women in a multi-racial city. Colonial Batavia in the twentieth century’, in: K. Grijns en P.J.M. Nas red., Jakarta-Batavia: socio-cultural essays (Leiden 2000) 175-198.
  • L. Blussé, Retour Amoy. Anny Tan – Een vrouwenleven in Indonesië, Nederland en China (Amsterdam 2000).
  • Regerings-almanak van Nederlandsch-Indië 1901-1942 (DVD, Den Haag 2008).
  • K. Kuiken, ‘“Een moederlijke vrouw die soms preekte als een dominee”. Op zoek naar de roots van een Indisch-Chinese vrouwenactiviste’, Genealogie 17 (2011).

Illustratie

Betsy Thung, door onbekende fotograaf, 1931 (Atria Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis, Amsterdam).

Auteur: Kees Kuiken

laatst gewijzigd: 30/09/2017