Zeggelen, Maria Christina van (1870-1957)

 
English | Nederlands

ZEGGELEN, Maria Christina van, ook bekend als Marie Kooij-van Zeggelen (geb. Den Haag 8-7-1870 – gest. Huizen 15-7-1957), schrijfster. Dochter van Wilhelmus Josephus van Zeggelen (1811-1879), dichter en boekdrukker, en Constance Henriette Mastenbroek (1834-1925), kunstenares. Marie van Zeggelen trouwde op 18-4-1890 in Den Haag met Herman Adrianus Kooij (1868-1950), KNIL-officier. Uit dit huwelijk, op 23-12-1921 ontbonden, werd 1 zoon geboren die kort na de geboorte overleed.

Marie van Zeggelen groeide op in Den Haag, als een van de twee kinderen uit het derde huwelijk van haar vader: een populaire humoristische dichter en boekdrukker die overleed toen Marie acht jaar was. Haar moeder was kunstschilder. Zelf schilderde Marie ook, en als meisje van veertien ging ze naar de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Ze was nog geen twintig toen ze in 1890 trouwde met Herman Kooij, die toen tweede luitenant was in het Koninklijke Nederlandsch-Indisch Leger. Drie dagen later al vertrok het echtpaar op het stoomschip de Prins Frederik naar Nederlands-Indië (Indonesië). In de Golf van Biskaje kwam de Prins Frederik op 25 juni ’s avonds in dichte mist in aanvaring met het Engelse schip Marpessa. Het schip zonk razendsnel, maar bijna alle opvarenden brachten het er levend vanaf, al was hun bagage verloren. Marie Kooij-van Zeggelen en haar man zetten hun reis de week erop voort met het schip Sumatra. De schipbreuk maakte veel indruk op haar; ze zou de ramp in 1928 beschrijven in het jongensboek Averij.

Officiersvrouw in Indië

Tijdens de eerste jaren in Indië was Marie Kooij-van Zeggelen weinig gelukkig. Omdat haar man voortdurend werd overgeplaatst, woonden ze op verschillende plekken op Java, en ook op Borneo en Sumatra. Van Zeggelen voelde zich niet thuis in het kleine kringetje van Europese officiersvrouwen, met hun visites en hun feestjes, hun rangorde en sociale controle. Ze miste intellectuele en culturele stimulans. In 1897 kreeg Marie Kooij-van Zeggelen haar eerste en enige kind, een zoontje, dat niet lang na de geboorte overleed. Daarna begon ze verhaaltjes te schrijven voor de kinderen van haar halfbroer in Nederland. Die verschenen vanaf 1901 in het kindertijdschrift Ons blaadje van feministe Nellie van Kol. Ze bleef de rest van haar leven voor kinderen schrijven.

In 1906 verhuisde Marie Kooij-van Zeggelen naar Zuid-Celebes, waar haar man het civiel gezag had gekregen over het afgelegen Watansoppeng in de regio Soppeng. Daar leerde ze de kolonie van een hele andere kant kennen. De streek was pas het jaar daarvoor ‘gepacificeerd’. Europeanen waren er nauwelijks en Van Zeggelen was de tweede witte vrouw die de inlanders – de Boeginezen – er zagen. In de jungle tussen de inheemse bevolking voelde ze zich veel beter op haar gemak. Terwijl haar man op patrouille was, verdiepte Van Zeggelen zich in de cultuur van de Boeginezen. Ze luisterde naar hun verhalen, tekende hun liedjes op en raakte gesteld op de mensen. De Nederlanders begon ze als indringers te zien, het geweld waarmee de pacificatie gepaard was gegaan als een groot onrecht. Toen ze na anderhalf jaar moest terugkeren naar Java viel haar dat zwaar. De leegte die haar nu overviel, vulde ze op met schrijven. Eerst schreef ze vooral over wat ze op Celebes had gezien en meegemaakt. In 1908 verscheen in Nederland haar jeugdboek De gouden kris. Een verhaal uit de nieuw veroverde streken van Zuid-Celebes (1908), met in de hoofdrol – heel bijzonder – een inheems kind.

Marie Kooij-van Zeggelen deelde de opvattingen van de ‘ethische politiek’ van die tijd: Nederland moest de bewoners van de koloniën niet langer exploiteren, maar ‘beschaven’ en ‘opvoeden’ volgens Nederlandse maatstaven, zodat ze uiteindelijk zelfstandig zouden kunnen worden. Van Zeggelen vond daarmee aansluiting bij gelijkgestemden zoals de schrijfster Augusta de Wit, de politicus Coen van Deventer en de hoogleraar Cornelis van Vollenhoven. Dat beschaven moest beginnen bij de jeugd, en Van Zeggelen gaf daarom les aan kleine kinderen en organiseerde vakantiekampen.

Bovenal kwam Marie Kooij-van Zeggelen in actie voor de belangen van vrouwen in Nederlands-Indië, te beginnen bij goed meisjesonderwijs. In 1912 was ze samen met Charlotte Jacobs een van de oprichters van de vereniging Steun Onderwijs Vrouwelijke Inlandsche Artsen (SOVIA). Ze werd ook secretaris van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Batavia en was redactrice van het verenigingsblad De Vrouw in Indië. In 1913 organiseerde Marie Kooij-van Zeggelen de Indische inzending voor de expositie ‘De vrouw, 1813-1913’ in Amsterdam. In een Amsterdams weiland liet ze een Indisch huis nabouwen op ware grootte, compleet met bijgebouwen, potten met Indische planten en echte inheemse bedienden in ‘Indische pakjes’ (‘Het Indische Huis’, 59). Het Indische Huis was een enorm succes.

Schrijfster in Nederland

Toen de diensttijd van Herman Kooij erop zat, keerde het echtpaar in de zomer van 1916 terug naar Nederland. Meteen nam Marie Kooij-van Zeggelen plaats in de redactie van het vrouwenblad De Hollandsche Lelie, waarvoor ze drie jaar bleef werken. In 1921 scheidde Marie van Zeggelen van Herman Kooij. Daarna leefde ze van het schrijven – voortaan onder haar geboortenaam Van Zeggelen. Ze publiceerde boeken voor kinderen en volwassenen, verhalen, artikelen en een paar toneelstukken. De eerste paar jaar ging het vooral nog over Indië, maar vanaf 1924 ging ze historische romans schrijven die zich in Nederland afspeelden.

Marie van Zeggelen woonde eerst in Den Haag, daarna in Amsterdam, waar de meesten van haar vrienden woonden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verhuisde ze naar de Betuwe. Haar interesses in vrouwenrechten, Indië en geschiedenis kwamen toen samen in het boek dat ze schreef over Kartini, de jong overleden dochter van een Javaanse aristocraat die gestreden had voor vrijheid en vrouwenonderwijs. Het boek verscheen in 1946. Marie van Zeggelen was net 87 toen ze in 1957 overleed in het rusthuis Voor Anker in Huizen. Ze werd begraven op begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag.

Betekenis

Het werk van Marie van Zeggelen genoot in haar eigen tijd grote waardering. Later is haar literaire stijl afgedaan als clichématig. Vooral haar romans over Indië zijn van belang: ze geven een sprekend beeld van het leven in de kolonie, vaak – en dat was in die tijd uniek – vanuit een inheems perspectief, ook al stelde Van Zeggelen de koloniale overheersing nooit ter discussie. Met haar werk vestigde Marie van Zeggelen bovendien de aandacht op de rechten van vrouwen in Nederlands-Indië.

Naslagwerken

BWN; Damescompartiment.

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: Collectie M.C. van Zeggelen.

Publicaties

Tot haar belangrijkste publicaties behoren behalve de hierboven genoemde titels:

  • Jong Java’s lief en leed (Rotterdam 1904).
  • Onderworpenen. Schetsen uit Celebes (Samerang 1908).
  • De Hollandsche vrouw in Indië. Indrukken van een zwerfelinge (Amsterdam 1910).
  • Koloniaaltje (Amsterdam 1920).
  • De vrede van het Maerland (Amsterdam 1923).
  • Bij het hart van Indië (Amsterdam 1926).
  • Oude glorie (Amsterdam 1935).
  • Een hofdame uit de 18de eeuw (Amsterdam 1937).
  • Machteld ter Crone. Roman uit de Haagse wereld der vorige eeuw (Amsterdam 1950).

Voor haar volledige oeuvre: URL: http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=zegg001 [geraadpleegd 26-9-2016].

Literatuur

  • ‘Het Indische Huis’, in: Gedenkboek van de tentoonstelling ‘De vrouw, 1813-1913’ (Amsterdam 1913) 59-63.
  • Rob Nieuwenhuys, De Oost-Indische Spiegel (3 druk, Amsterdam 1978) 329-335.
  • Marco Zanen, Een roeping in Indië. Het echtpaar Kooij-van Zeggelen in Zuid-Celebes, 1905-1907 (Den Haag 1989).
  • Gervaise Frings, ‘Merck op al wat schoon en goed is en wel luidt. Marie van Zeggelen, een schrijfster over Indië’, Indische Letteren 5 (1990) 31-44.
  • Pamela Pattynama, ‘Wij kennen elkaar! Marie van Zeggelen, een Hollandse vrouw in Zuid-Celebes’, in: Rick Honings red., Een tint van het Indische Oosten. Reizen in Insulinde 1800-1950 (Hilversum 2015) 153-162.

Illustratie

Marie van Zeggelen, door onbekende fotograaf, 1977 (Nationaal Archief / Collectie RVD).

Auteur: Mariëlle Hageman

laatst gewijzigd: 19/10/2017