Vincent, Johanna Maria (1898-1989)

 
English | Nederlands

VINCENT, Johanna Maria (geb. Amsterdam 6-3-1898 – gest. Monte Carlo, Monaco 28-11-1989), concertzangeres en zangpedagoge. Dochter van Jacob Vincent (1868-1953), beiaardier, en Geertruida Johanna Meijer (1873-1938). Jo Vincent trouwde (1) op 31-7-1924 in Amsterdam met Maurice van IJzer (1898-1970), pianist; na echtscheiding (9-1-1930) op 8-5-1934 in Overveen met Cornelis Gerardus Johannes Bos (1894-1971), huisarts. Beide huwelijken bleven kinderloos.

Met een oudere broer en zus (een tweeling) groeide Jopie Vincent op in een muzikaal gezin aan de Amsterdamse Nassaukade – haar vader was beiaardier van het Paleis op de Dam, haar broer en zus zouden later pianoleraar respectievelijk -lerares worden. Op haar negende werd Jopie opgenomen in het kinderkoorklasje van de zangpedagoge Catharina van Rennes. Hoewel ze als kleuter al zangeres wilde worden, stuurde haar vader haar naar de mulo, met het idee dat ze geschikt was voor een kantoorbaan. Op aandringen van vrienden die vonden dat zij een prachtige sopraanstem had, besloot Jopie na haar eindexamen toch een opleiding tot zanglerares te volgen.

Zangcarrière

Na in de leer te zijn geweest bij haar eigen vader en de zangpedagoge Wilhelmina de Veer-de Lange haalde Jo Vincent in 1919 het diploma lerares solozang van de (Koninklijke) Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging, cum laude. In haar memoires zou ze hierover zeggen: ‘Hoe is het mogelijk,… nu ik vijfenvijftig ben, begin ik pas te begrijpen hoe men eigenlijk zingen moet, en toen ik twintig was, was ik al officieel bevoegd het aan anderen te leren…’(Zingend door het leven, 30). Met het geld dat ze als lerares verdiende, kon ze les nemen bij de befaamde zangeres en pedagoge Cornelie van Zanten. In 1920 debuteerde Jo Vincent in een rumoerig en rokerig feestzaaltje te Assendelft met een sopraansolo uit Die Schöpfung van Haydn. Na een reeks optredens in de Zaanstreek en Kennemerland zong ze in 1923 in Amsterdam voor het eerst in de Matthäus-Passion en in een volksconcert met het Concertgebouworkest.

Jo Vincent trouwde in 1924 met de pianist Maurice van IJzer – ze noemde zich in die tijd Jo van IJzer-Vincent. Datzelfde jaar debuteerde ze als liederenzangeres bij het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. Haar optreden met Mengelberg in de Achtste symfonie van Mahler werd kort daarna landelijk uitgezonden door de Hilversumse omroep. Intussen liep haar huwelijk op de klippen. Na de echtscheiding (1930) noemde ze zich weer Jo Vincent. Vanaf 1932 was ze vaste medewerker aan Mengelbergs jaarlijkse radio-uitvoeringen van de Matthäus. In deze rol volgde ze Aaltje Noordewier-Reddingius op, die in 1930 haar zangcarrière had beëindigd. Vincent nam van Reddingius ook de wijdvermaarde jaarlijkse kerkconcerten over.

In 1934 trouwde Jo Vincent met een man die het jaar ervoor bij een optreden in haar publiek had gezeten, de huisarts Cornelis Bos. Vlak voor haar huwelijk trad ze toe tot de rooms-katholieke kerk. Toch bleef ze met religieuze liederen regelmatig optreden voor de NCRV-microfoon. Dat deed ze met haar eigen kwartet: de alt Theodora Versteegh, de tenor Evert Miedema en de bariton Willem Ravelli, begeleid door de organist-pianist Anthon van der Horst. Ze trad ook op met het Hollandsch Vokaal Kwartet en met de pianiste Betsy Rijkens-Culp. In 1939 zong ze in Scheveningen een van haar weinige operarollen: de gravin in Mozarts Le nozze di Figaro. Haar buitenlandse optredens beperkten zich tot gastoptredens, onder meer in 1929 in Parijs (onder Pierre Monteux als Marguérite in La damnation de Faust van Berlioz) en in 1934 en 1936 in Wenen (respectievelijk onder Mengelberg en onder Arturo Toscanini). In Londen soleerde ze onder sir Henry Wood regelmatig bij de populaire Promenadeconcerten (the Proms). Een engagement voor Ein deutsches Requiem van Brahms in Berlijn (1932) ging niet door omdat er op het laatste moment was besloten dat alleen Duitse musici mochten meewerken. Toen ze niet lang erna werd gevraagd op te treden op een partijcongres van de nazi’s in München, bedankte ze voor de eer.

In het begin van de bezettingsjaren bruuskeerde Jo Vincent de Duitse Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart, die zich onder haar gehoor bevond, door hem te laten merken niet van zijn bewondering gediend te zijn. In 1942 weigerde ze zich in te schrijven voor de Kultuurkamer. Dit maakte een einde aan haar openbare optredens. Jo Vincent gaf alleen nog clandestiene huisconcerten, onder meer in haar villa Tetterode in Overveen. Bewust koos ze liederen uit met een tekst die de mensen een hart onder de riem staken, zoals ‘Mijn land’ van Catharina van Rennes. In plaats van een honorarium ontving ze hiervoor levensmiddelen. In die oorlogsjaren woonde de actrice Charlotte Köhler bij haar in.

Na de oorlog

Op 9 en 10 juni 1945 schitterde Jo Vincent in het een maand eerder bevrijde Amsterdam op het feestconcert Vrije Klanken in het Concertgebouw. Ook in de maanden daarna regende het uitnodigingen uit het land. Nog nooit had Jo Vincent het zo druk gehad.

In de eerste naoorlogse jaren nam Jo Vincent opnieuw zanglessen, dit keer bij de sopraan Ruth Horna. Ze gaf veel liederenavonden met werk van haar lievelingscomponisten Franz Schubert en Hugo Wolf en zong ook weer in de Matthäus. Een hoogtepunt was de première van Benjamin Brittens Spring symphony in juli 1949. Voor het Concertgebouworkest onder Eduard van Beinum zong ze hier samen met de alt Kathleen Ferrier. Ze was in die tijd een van de best betaalde zangeressen van Nederland, maar toch gaf ze voor de Stichting voor Muziekonderwijs in Concertvorm ook schoolconcerten.

In 1953 gaf haar man zijn artsenpraktijk op en besloot Jo Vincent zelf een punt te zetten aan haar veeleisende loopbaan. In het najaar maakte ze een luisterrijke afscheidstournee. Daarna heeft ze vrijwel nooit meer opgetreden. Ze schreef haar memoires, Zingend door het leven (1955), als het ware om te onderstrepen dat haar zangcarrière ten einde was. Een platenmaatschappij meende na haar afscheid zelfs dat ze al was overleden en vermeldde achter haar naam op een hoes abusievelijk de jaartallen ‘1898-1955’.

Het echtpaar Bos-Vincent verhuisde naar de Franse Rivièra, maar kon daar niet aarden. In 1956 keerden ze terug naar Nederland. Ze woonden eerst in Overveen en Wassenaar en later in een bungalow te Aerdenhout. Vincent gaf weer zanglessen, zowel voor particulieren als aan de muziekschool van de Haarlemse Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Haar broer Piet Vincent was daar directeur. Na het overlijden van haar man in 1971 trok Vincent zich terug in Cap d’Ail bij Monte Carlo in Monaco. Hier overleed Jo Vincent op 28 november 1989 in een ziekenhuis, 91 jaar oud. Na een (uiteraard) gezongen mis in de parochiekerk van Overveen werd ze begraven op Westerveld.

Roem

Jo Vincent had een prachtige, stralende, kristalheldere stem. Met haar ongekunstelde voordracht en warme houding was ze geliefd bij een groot publiek. Na Aaltje Reddingius was ze de beroemdste Nederlandse sopraan uit de eerste helft van de twintigste eeuw. In 1946 werd ze officier in de Orde van Oranje-Nassau en bij haar afscheid ontving ze de eremedaille van de stad Amsterdam. In 1954 werd in de eregalerij van het Amsterdamse Concertgebouw haar portret door de Haarlemmer schilder Otto de Kat onthuld. Zelf was ze als bloemen- en tuinliefhebster erg gesteld op de in 1963 naar haar vernoemde dahlia ‘Jo Vincent’.

Naslagwerken

BWN; Dutch Divas.

Archivalia

Nederlands Muziekinstituut, Den Haag: brieven.

Publicatie

Zingend door het leven. Memoires van Jo Vincent, C.G.J. Bos en J. de Klerk, ed.(Amsterdam [etc.] 1955).

Opnames

Verscheidene opnames met het Concertgebouworkest, eerst op langspeelplaat en later op CD.

Literatuur

Necrologieën o.a. in Het Parool, 29-11-1989; NRC Handelsblad, 29-11-1989; de Volkskrant, 30-11-1989; Haerlem Jaarboek 1989 (1990) 218-221; Preludium 48 (1990) 5 (jan.) 10-11; Mens en Melodie 45 (1990) 42-47.

Illustratie

Uit: Zingend door het leven.

Auteur: Redactie (dit lemma is o.a. gebaseerd op het BWN-lemma van A.W.J. de Jonge)

laatst gewijzigd: 20/02/2017