Jungius, Marie (1864-1908)

 
English | Nederlands

JUNGIUS, Hendrika Maria Aleida (geb. Heilo 1-4-1864 – gest. Arnhem 22-12-1908) onderwijzeres, actief in Kinderbond, anti-vivisectiebeweging en feminisme, eerste directrice van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid. Dochter van Elias Cornelis Jungius (1838-1904), predikant, en Augustina Sophia Carolina Henrijette Hooykaas (ca.1832-1878). Vanaf ca. 1885 woonde ze samen met Suze Groshans (1863-1944), onderwijzeres en feministe.

Marie Jungius groeide op als tweede van vier dochters in een domineesgezin in achtereenvolgens Heiloo, Zierikzee en – vanaf 1869 – Deventer. Haar moeder, een ontwikkelde vrouw die veel invloed op haar dochters had, stierf toen Marie veertien jaar oud was. Marie was een ‘jongensachtig’ meisje, verzot op gymnastiek en spelletjes en al heel jong bewust van de ongelijkheid in opvoeding van jongens en meisjes (aldus J.A. Tours in zijn necrologie). Als schoolmeisje verdedigde ze al de stelling dat jongens en meisjes gelijk behandeld moesten worden en dat ook vrouwen soldaat moesten kunnen worden. Ze had veel belangstelling voor wis- en natuurkunde. Zo droogde ze graag planten en legde een herbarium aan. Ook had ze talent voor het vertellen van verhalen. Haar lievelingslectuur waren sprookjes.

Kinderbond en Nationale Tentoonstelling

Na de hbs ging Jungius naar de kweekschool in Haarlem. Twee jaar werkte ze als onderwijzeres in Den Helder, daarna zette ze haar opleiding voort in Leeuwarden, de stad waar haar vader intussen beroepen was. Daar haalde ze de hoofdakte, als beste van de groep, en kreeg erna een baan aan de openbare meisjesschool in de Atjehstraat in Den Haag, waar een van haar zusters ook had lesgegeven. Zij woonde eerst in Scheveningen en daarna in Den Haag met Suze Groshans, eveneens onderwijzeres en Jungius’ levenslange vriendin. In Den Haag kwam Jungius in aanraking met de noden van kinderen uit de volksbuurten. Via Caroline van der Hucht-Kerkhoven, oprichtster van de Vereeniging Nederlandsche Kinderbond (1891), werd ze actief in deze bond die tot doel had ‘reeds bij de kinderen rechtvaardigheid en medegevoel jegens al wat leeft aan te kweken en ruwheid en baldadigheid tegen te gaan’. In 1895 gaf Marie Jungius zelfs haar baan op om particulier secretaresse van Van der Hucht te worden. Daarnaast was zij actief in de Nederlandsche Bond tot bestrijding der Vivisectie en was ze in 1895 een van de oprichtsters van de Haagse Toynbee-vereeniging ‘Ons Huis’.

In november 1896 trad Jungius toe tot het bestuur van de Vereeniging Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid (VNTV), die in 1898 een tentoonstelling over vrouwenarbeid wilde houden ter gelegenheid van de troonsbestijging van Wilhelmina. Jungius nam verlof van de Kinderbond en groeide uit tot de organisatorische ziel van de tentoonstelling. Ze tekende de plattegrond voor de tentoonstelling, maakte het zalenplan en ontwierp het werkschema voor de achttien congressen die tijdens de tentoonstelling zouden plaatsvinden. Ook zat ze in een aantal rubriekscommissies en schreef een propagandarede die talloze malen door haarzelf en anderen werd uitgesproken en in 1897 in druk verscheen. De term ‘vrouwenarbeid’, aldus Jungius, stond voor al het ‘mooie en nuttige werk’ van vrouwen, ook de onbetaalde arbeid. Samen met Groshans richtte ze de Industriezaal in, verreweg de grootste afdeling van de tentoonstelling. Hier lag onder meer de Beroepsklapper ter inzage die ze op basis van de beroepstelling van 1889 had samengesteld: een overzicht van de aantallen vrouwen in ieder beroep en in iedere bedrijfstak.

Na de Tentoonstelling liet Marie Jungius zich ook van een literaire en filosofische kant zien: in 1899 publiceerde zij in één band haar Sprookjes van leven en Verzen: 11 sprookjes (geschreven tussen 1896 en 1898) en 54 verzen (geschreven tussen 1890 en 1896). In 1900 volgden de brochure Over de onbegrensdheid van ons meegevoel en tussen 1899 en 1901 een reeks wijsgerige beschouwingen in het Correspondentieblad van de Kinderbond.

Nationaal Bureau voor vrouwenarbeid

Intussen was Jungius teruggekeerd naar haar baan bij de Kinderbond. Maar niet voor lang, want dankzij het overweldigende succes van de Tentoonstelling – negentigduizend bezoekers – was er een batig saldo van ruim twintigduizend gulden. Jungius stelde voor hiervan een Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid op te richten, met als doel uitbreiding van de werkkring van vrouwen. Haar plan, inclusief een plattegrond en een grafische voorstelling van de organisatie van de werkzaamheden van het Bureau, werd door het bestuur van de VNTV gekozen uit de 25 ingediende voorstellen. Zo kwam een Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid tot stand, met als uitvoerend orgaan het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid (NBV). Jungius was hiervan de eerste – met algemene stemmen gekozen – directrice. Zij begon haar nieuwe werk op 1 oktober 1901 en publiceerde nog in hetzelfde jaar Een woord over het Nationaal Bureau van Vrouwenarbeid.

De jaarverslagen van het NBV over de jaren 1901-1907 laten een grote hoeveelheid werk zien. Het NBV verrichtte onderzoeken, gaf adviezen en voorlichting, legde een bibliotheek en archief aan, stelde plaatselijke comités in en verzorgde een tiental publicaties. Als directrice van het NBV initieerde Marie Jungius een groot deel van de in totaal 37 onderzoeken die het NBV verrichtte, onder meer naar de gehuwde vrouw en de veldarbeid, tien jaar arbeidswetgeving, de vrouw in de steenfabricage, kinderarbeid, loodvergiftiging in de aardewerkfabricage, de uitbesteding van wezen door burgerlijke en kerkelijke armbesturen, vrouwenarbeid in de gemeentelijke telefoondienst in Nederland, het leven van buitenshuis werkende moeders en de toestand in de haringrokerijen. Ook protesteerde ze herhaaldelijk tegen lonen die zó laag waren dat ze de betreffende vrouwen geen economische onafhankelijkheid boden. Zij ageerde tegen nachtarbeid van zowel mannen als vrouwen en vóór uitbreiding van arbeidsbescherming voor alle werknemers.

Naast haar werk als directrice van het NBV bleef Jungius ook actief in de vrouwenbeweging, de kinder- en dierenbescherming, de drankbestrijding en het Toynbeewerk. Zo besteedde ze maanden aan de voorbereiding van het door de Nationale Vrouwenraad van Nederland geïnitieerde Congres voor Kinderbescherming (april 1904). In 1897 was Jungius gekozen tot presidente van de afdeling Den Haag van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, een functie die zij tot 1900 vervulde. Zij behoorde tot de zogenoemde ‘gematigde feministen’ die zich in 1907 afsplitsten van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht oprichtten. Lid van een politieke partij werd Jungius niet, hoewel zij veel voor het socialisme voelde. Volgens Anna Polak ‘verhinderde haar tegenzin tegen wat ook maar zweemde naar politiek een zich aansluiten bij de S.D.A.P.’

Op 25 januari 1908 trad Jungius af als directrice van het NBV om te gaan kuren in de Alpen. Ze leed aan tuberculose. Het bestuur van de Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid benoemde haar tot erepresidente. Nog datzelfde jaar – op 22 december – stierf Marie Jungius in Arnhem, 44 jaar oud. Bij haar begrafenis op begraafplaats ‘Moscowa’ werd gesproken door Dora Haver, Wilhemina Drucker en Anna Polak.

Reputatie

Marie Jungius was een opvallende verschijning – ze was tenger van gestalte, met blond kortgeknipt haar en stralende blauwe ogen. Volgens Posthumus-van der Goot ging er een zonnige bekoring van haar uit die ertoe bijdroeg dat zij ‘zonder moeite met haar diepe, meeslepende stem een grote aanhang verwierf bij de verkondiging van erbarmen en rechtvaardigheid voor de vrouw en het kind’.

Tot haar nagedachtenis richtten Groshans en M. Methorst in 1909 het Marie Jungius Fonds op: een fonds dat steun verleende aan overwerkte of zieke vrouwen om weer op krachten te komen. Dit fonds was tot 1930 actief. In 1951 riep Willemijn Posthumus-Van der Goot onder de naam Marie Jungius Fonds een adviesbureau van vrouwen voor vrouwen in het leven. Dit fonds was actief tot 1965.

Naslagwerken

Atria; BWN; BWSA.

Archivalia

Atria, Amsterdam: archief Marie Jungius Fonds en archief Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid.

Publicaties (een selectie)

  • Een woord over de voorgenomen Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid (Amsterdam 1897).
  • ‘Bestrijding der vivisectie. Inleiding’ en ‘Kinderbond en humanitarisme. Inleiding’, in: Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Besprekingen over Maatschappelijk Werk (Amsterdam 1898) 123-151 en 227-244.
  • Beroepsklapper. Excerpt uit de Uitkomsten der beroepstelling in het Koninkrijk der Nederlanden op den een-en-dertigsten December 1889, aangevende het aantal gehuwde en ongehuwde vrouwen (benevens het algemeen totaal) werkzaam als hoofd of ondergeschikte in eenig beroep of bedrijf (Den Haag 1899).
  • De vivisectie is een kwaad en moet daarom uit de samenleving verdwijnen (Den Haag 1898). De Nederlandsche Kinderbond en de eenheid van alle humanitaire streven (Amsterdam 1899).
  • Vivisectie in Nederland (Den Haag 1899).
  • Sprookjes van leven en Verzen (Amsterdam 1899).
  • Over de onbegrensdheid van ons meegevoel (Amsterdam 1900).
  • Vrouwenarbeid in de steenfabricage (Amsterdam 1903).
  • De gehuwde vrouw en de veldarbeid (Den Haag 1903).
  • Tien jaren arbeidswetgeving (Amsterdam 1903).
  • Nachtarbeid der haringspeetsters (Den Haag 1903).
  • Waarom halverwege? Een bijdrage tot de kwestie der loodvergiftiging in de aardewerkfabricage (Amsterdam 1904).
  • Wenschelijkheid en werkelijkheid. Een bijdrage tot de kennis van het leven der arbeidster-moeder (Amsterdam 1905).
  • Wat doet Nederland voor zijne arbeidsters-kraamvrouwen? Een bijdrage tot de kennis van het leven der arbeidster-moeder (Amsterdam 1906).
  • Eenige opmerkingen aangaande den toestand der magazijn- en winkelbedienden in Nederland (Amsterdam 1907).

Literatuur

  • [F. Netscher], ‘Karakter-schets Marie Jungius’, De Hollandsche Revue 5 (1900) 822-837.
  • J.A. Tours, ‘Marie Jungius’, De Amsterdammer, 15 en 22-3-1908.
  • Anna Polak, ‘Marie Jungius’, Tijdschrift voor Armenzorg en Kinderbescherming 10 (1909) nr. 2.
  • Ida Heijermans, ‘Marie Jungius’, Leven en Werken. Maandblad voor meisjes en vrouwen, 1 (1916) juli, nr. 7, 44-53.
  • Corrie van Eijl, Het werkzame verschil (Hilversum 1994).
  • Maria Grever en Berteke Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998).
  • Heleen Pott-Buter en Kea Tijdens, Vrouwen leven en werk in de twintigste eeuw (Amsterdam 1998).
  • Amanda Kluveld, Reis door de hel der onschuldigen. De expressieve politiek van de Nederlandse Anti-vivisectionisten, 1890-1940 (Amsterdam 2000).

Illustratie

Marie Jungius. Chits et Fils, 1897 (Collectie IAV-Atria Kennisinstituut voor Vrouwengeschiedenis en Emancipatie).

 

Auteurs: Francisca de Haan en Annette Mevis.

laatst gewijzigd: 21/08/2017

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.